Opinie

Optreden van het kabinet in Afghanistan-crisis getuigt van weinig respect voor Kamer

Afghanistan-crisis

Commentaar

Machteloos stemmend zijn de beelden van de snel verslechterende situatie rondom het vliegveld van Kabul. Afghaanse burgers die hun leven wagen om een evacuatievlucht te bereiken, baby’s die over hoofden van wachtenden naar het begin van de rij worden getild, als ultieme wanhoopsdaad. De kansen om Kabul nog te verlaten, slinken met het uur voor de achterblijvers. Dat geldt voor buitenlanders én Afghanen. In deze chaos voert Nederland nu evcuatievluchten uit om de achtergebleven Nederlanders (ruim 700 zijn het er nog) in veiligheid te brengen. Ook spant Nederland zich in om Afghanen te evacueren die voor Nederland gewerkt hebben. Niet alleen gaat het om de tientallen tolken, maar ook om koks, bewakers, of chauffeurs. Die belofte moest het kabinet deze week in de Tweede Kamer doen. Volgens Defensie zijn er inmiddels vijf evacuatievluchten uit Kabul vertrokken.

Haast is geboden. Hoe langer de evacuatie duurt, des te kleiner de kansen op succes voor de betrokkenen. Het is de vraag hoe lang er nog vliegtuigen kunnen opstijgen in Kabul. Helemáál onzeker is het of mensen het vliegveld nog kunnen bereiken, nu de Taliban zich steeds meer laten gelden op straat. Maar de haast wás er al. De afgelopen maanden wonnen de Taliban snel terrein. Andere landen, zoals Frankrijk, bereidden maatregelen voor om ingezetenen of Afghanen te evacueren. Nederland oogde verrast. „Iedereen die dit had kunnen voorzien, verdient een Nobelprijs”, zei demissionair minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Zaken, D66) deze week in de Tweede Kamer. Feit is dat er al een opdracht van de Kamer lág om zo snel mogelijk in ieder geval de Afghaanse tolken in veiligheid te brengen. Die motie is maar deels uitgevoerd: 43 tolken zijn naar Nederland gebracht, 65 zitten nog in Afghanistan. De snelheid van de gebeurtenissen was niet te voorzien, maar dát Kabul zou vallen, was geen verrassing.

Het is te vroeg voor een finaal oordeel over het crisismanagement van het kabinet. Eerst moet de evacuatie in Afghanistan voltooid zijn. Maar twee debatten in de Tweede Kamer over Afghanistan stemden niet optimistisch. Het optreden van de drie demissionaire bewindslieden (naast Kaag ook minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) en Ankie Broekers-Knol (Asiel, VVD) was verwarrend en beschamend. Bijvoorbeeld toen Bijleveld zei dat de Nederlandse missie in Afghanistan zinvol was geweest, want „we hebben Afghanen laten zien dat het ook anders kan.” De ministers en staatssecretaris spraken elkaar regelmatig tegen, bijvoorbeeld toen het ging over de interpretatie van een nieuwe Kamermotie. De Kamer drong er bij het kabinet op aan alle Afghanen die voor Nederland hadden gewerkt, én Afghanen die voor journalisten of mensenrechtenorganisaties hadden gewerkt, in veiligheid te brengen en de kans op asiel te geven. Het kabinet moest die met ruime meerderheid aangenomen motie uitvoeren, maar met name Broekers-Knol begon in het debat de inhoud van de motie te veranderen, waardoor de strekking volledig veranderde. De motie, ingediend door D66-Kamerlid Salima Belhaj, ging volgens haar alleen om Afghanen die „onophoudelijk” hebben gewerkt voor Nederland, en die in een „acute en schrijnende situatie” zitten. Nederland zou hun asielaanvraag „voortvarend” behandelen.

Zuiniger dan dat kón bijna niet. Het was terecht dat de Kamer, inclusief D66 en ChristenUnie, die nog deel uitmaken van Rutte III, hier een streep trokken. Wat Broekers-Knol deed, was op twee manieren ongehoord. Ze sprak ten eerste haar ambtsgenoten Kaag en Bijleveld tegen, waardoor Rutte III een gedesintegreerde indruk maakte. Erger nog was dat ze blijk gaf van minachting van de Kamer. De Tweede Kamer gaat over haar eigen moties, en over de interpretatie daarvan. Dat een kabinetslid die eenvoudige regel niet respecteerde, is onzuiver. Zelfs de kabinetsbrief die de nacht erop verscheen, was onhelder. Aan de ene kant beloofde het kabinet de motie „naar letter en geest” uit te voeren. Maar het kabinet hield toch slagen om de arm.

Het incident stond bovendien niet op zichzelf. Tijdens de Kamerdebatten hadden Kamerleden regelmatig zware kritiek op de in hun ogen arrogante manier waarop met de volksvertegenwoordiging werd omgegaan. De motie over de Afghaanse tolken was niet uitgevoerd. Kamervragen werden niet beantwoord. En de motie-Belhaj werd voor de ogen van de Kamer min of meer herschreven. Daarbij ergerde de Kamer zich terecht aan de wollige en ontwijkende manier waarop belangrijke vragen werden beantwoord. Belhaj, in haar rol als commissievoorzitter, sprak de kabinetsleden daar scherp op aan. De Kamerleden hadden grote zorgen. Juist in een crisis als deze is respect voor de volksvertegenwoordiging essentieel.