Opinie

Kruisridders van het universalisme: Afghanistan moest worden zoals wij

Geopolitiek Een universalistisch geloof in democratie en mensenrechten doortrekt het Europese denken, maar we moeten de kruisridder in onszelf wantrouwen, schrijft .
Door Amerikaanse militairen gedumpte spullen nabij de militaire vliegbasis Bagram
Door Amerikaanse militairen gedumpte spullen nabij de militaire vliegbasis Bagram Foto Haroon Sabawoon/Anadolu Agency/Getty Images

Voor de VS kliefden de terreuraanslagen van Nine Eleven de tijd in een vóór en een na. Zodoende zal het bij de aanstaande twintigste herdenking niet louter over die elfde september gaan (de instortende torens, de slachtoffers) maar ook over alles wat daarna kwam: Amerika’s oorlogen in Afghanistan en Irak, plus de chaos en rampen waartoe die op hun beurt leidden. President Biden wil getuige het overhaaste vertrek uit Kabul een streep onder dat verhaal zetten. Essentieel daarbij is dat hij een nieuw verhaal voor zijn land ziet: de confrontatie met China. Sleept hij ook Europa mee van de ene in de volgende kruistocht?

Het najaar van 2001 kan gezien worden als het hoogtij van het westerse universalisme, het geloof dat de hele wereld kan en zal worden als wij. Onder leiding van George W. Bush gingen de VS en bondgenoten Afghanistan bevrijden van de ‘achterlijke’ Taliban en zouden ze veiligheid, democratie en mensenrechten brengen, ook voor vrouwen, homo’s en meisjes. Die missie, weten we nu, is volkomen mislukt. Sinds een week hebben de Taliban alle macht weer in handen; bij tienduizenden ontvluchten vooral jonge Afghanen hun land.

In die herfst van 2001 kreeg het krachtige globaliseringsgeloof op nog een manier concreet gestalte. Drie maanden na de Al-Qaida-aanslagen, op 11 december 2001, werd China lid van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Een minder spectaculair theater, maar met dezelfde hoop: inbedding van het communistisch China in de internationale economie zou het land ontwikkeling brengen én er tot politieke vrijheid leiden. „Ons grootste exportproduct”, aldus president Bush het jaar ervoor in een vlammend WTO-pleidooi, „is niet voedsel, films of vliegtuigen: ons grootste exportproduct is vrijheid. En het Chinese volk staat klaar om het te ontvangen.”

China een grote rivaal

Ook die tweede gok uit 2001 pakte anders uit. Buitenlandse investeerders stroomden toe, honderden miljoenen Chinezen klommen inderdaad uit de armoede, maar vanaf 2012 trok president Xi de touwtjes stevig aan. De nieuwe voorspoed bracht geen democratisering maar stutte het autocratische regime. Dit stelde Xi in staat de westerse wereldorde uit te dagen, met een machtsontplooiing tot ver buiten China’s grenzen – van Nieuwe Zijderoute en overnames in de high-tech sector tot mondiale vaccindiplomatie. Zo staat daar voor de VS nu een economische, technologische en militaire uitdager van formaat.

Het hoogreikende, universalistische en interventionistische moment van pal na 9/11 bracht de VS een enorm, dubbel echec. Chaos in Afghanistan en het Midden-Oosten, plus China op een podium gehesen van waaraf het zich ontpopt tot dé rivaal. Welke strategische conclusies trekt Washington daaruit?

Eén conclusie kwam van Donald Trump: America First, zijn slagzin en geopolitiek richtsnoer. Dit bondige antwoord op universalistische overmoed vond en vindt grote weerklank onder de Amerikaanse kiezers: velen zijn overzeese oorlogen beu en ervaren China’s economische opmars als bron van hun eigen werkloosheid.

Het andere antwoord, sinds Bidens zege terug in de omgeving van de macht, luidt: ons verhaal van vrijheid en democratie geldt onverkort. America is back. Er loopt een rechte lijn van Amerika’s overmoed na 9/11 naar de nieuwe kruistocht tegen China. De neoconservatieve ideoloog Robert Kagan, in 2003 aanjager van de Irakoorlog, en de Democraat Antony Blinken, nu Bidens minister van Buitenlandse Zaken, vonden elkaar in 2019 in een pleidooi voor een ‘liga van democratieën’ tegen autoritaire staten. Saddam-krenking toen en Oeigoeren-verontwaardiging nu, het zijn pagina’s uit hetzelfde grote boek van en voor de Washingtonse elite: Amerika voorop in de strijd van Goed tegen Kwaad.

Ontregeling van het westerse wereldbeeld

President Biden, afkomstig uit deze school, onderkent tegelijk de weerzin van zijn kiezers tegen verre avonturen. Hij laveert tussen zelfzuchtige terugtrekking à la Trump en geharnast engagement à la Blinken & Kagan. Hij wil geen zonen en dochters offeren voor „vrouwenrechten” in Afghanistan, vandaar de aftocht uit Kabul. Maar intussen bouwt hij wel de anti-China-coalitie die de haviken wensen. Zeker, ditmaal niet als vergelding voor een aanval op de VS maar om een Grote Slechte Vijand met economische middelen op de knieën te dwingen. De ideologische retoriek, die enkel vrede ziet als China zijn gedrag verandert, is er niet minder om (zie het gezaghebbende rapport Longer Telegram, begin 2021).

In Washington blijft het zo onuitgesproken, maar in feite vertellen ‘Afghanistan’ en ‘China’ hetzelfde: het Westen kan de rest van de wereld niet naar zijn evenbeeld herscheppen. We zullen de planeet dus moeten delen met machten en krachten die niet democratisch zijn (en hoogstwaarschijnlijk niet zullen worden). Deze ontregeling van ons wereldbeeld verdient meer doordenking dan de gehaaste bestrijders van nieuw onrecht erkennen.

Vooral China’s opkomst beproeft dit zelfbeeld. Het echec in Afghanistan kan nog worden afgedaan als nieuw voorbeeld van ‘imperial overstretch’; vóór de VS beten de Britten en de Russen hun tanden al stuk op het land. Maar zulk wegdenken lukt niet met China: Aziatische grootmacht van 1,4 miljard mensen, een beschaving zo oud als Europa of India, die zich niet langer schikt naar de wereldordening zoals de VS die na 1945 inrichtten. China ‘provincialiseert’ ons universalisme tot iets westers, zo niet in filosofische dan toch in politieke zin. Vorig jaar zeiden regeringsgetrouwe Chinese intellectuelen in The New York Times: „Vroeger toen ik zwak was, moest ik het spel volgens jullie regels spelen. Nu ben ik sterk en zelfverzekerd, dus waarom zou ik niet uitgaan van mijn eigen regels, waarden en ideeën?” Hun vraag is nog niet zo simpel te beantwoorden.

Ook wij Europeanen ontlenen trots, zelfbewustzijn, ja een historisch gevoel van superioriteit, aan de opvatting dat de ‘universele waarden’ democratie, mensenrechten en kritische wetenschap opkwamen op ons continent. Ruimhartig wensen wij ze de hele wereld toe.

In een essay voor Trouw noemde ik Bush jr. onbezonnen een moderne Napoleon, die Afghanistan de moderniteit in zou bombarderen

De frictie begint wanneer zulk toewensen, aansporen of met zachte druk bevorderen overgaat in afdwingen, opleggen, bekeren, veroveren. De grens is niet scherp. Een expansieve, universele drang doortrekt het Europese denken, van christelijke kruisvaarders tot revolutionair marxisme of koloniale beschavingsmissies. Vaak is het vuur van het idee gepaard gegaan met het zwaard van de macht – een verleidelijk koppel.

Ook ik was ooit kort door die verleiding gegrepen. Het was in hetzelfde woelige najaar van 2001, toen op Nederlandse opiniepagina’s een cultuurstrijd over Verlichting en islam ontbrandde en Pim Fortuyn aan zijn opmars begon. Als student filosofie in Parijs ergerde ik me aan anti-Amerikaanse demonstranten – niet ver van mijn kamertje, nabij Place de la Bastille – die enkele weken na 11 september op het ene spandoek „weg met de VS” riepen en op het andere „vrouwenrechten in Afghanistan” eisten. Wat wil je nu, meende ik, als je het Goede wilt, heb je ook Macht nodig. In een essay voor Trouw noemde ik Bush jr. onbezonnen een moderne Napoleon, die Afghanistan de moderniteit in zou bombarderen – onder verwijzing naar de Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jalloun, die in die dagen in Le Monde de Franse koloniale machthebbers dankte omdat ze de Arabische wereld seculier onderwijs hadden gebracht.

Niet lang daarna, in december 2001, interviewde ik samen met Arnold Labrie de grote Duitse historicus Reinhart Koselleck over utopieën, bij hem thuis in Bielefeld. Het gesprek – over Thomas More, nazisme, Bauhaus en meer – kwam ook op de actualiteit. Na 11 september zag je hoe Bush en Bin Laden elk voor de ander de duivel belichaamde. Beider posities waren volgens Koselleck utopisch, vanwege hun universalistische pretentie en een dualisme van Goed en Kwaad. Terwijl er in de politiek steeds concurrerende waarheden en meerdere perspectieven zijn. En altijd verrassingen. Koselleck: „Voor mij als historicus is er maar één algemene wet: er komt altijd wat anders uit dan men wil.”

Zulke filosofische scepsis en historische ironie brachten de kruisridder in mij tot bedaren. Het hielp dat ik vanaf maart 2002 tijd doorbracht in de Brusselse bureaucratie; leerschool in belangenbotsing, waar grote woorden stuiten op weerbarstigheden. De media die van mij in 2003 een verdediging van Bush’ Irak-inval wilden horen, gaf ik nul op rekest. Sindsdien voel ik nog wel die onophefbare spanning tussen de wens trouw te blijven aan het verheven westerse zelfbeeld en het besef van concrete tegenkrachten, maar probeer ik weg te blijven van expansief universalisme.

Lees ook: Wat heeft 20 jaar Afghanistan Nederland gebracht?

Kruisridder in ons wantrouwen

In de omgang met deze spanning ligt een groot verschil tussen Amerika en Europa. Beide continenten drinken uit dezelfde ideële bron, maar op het oude continent zijn we meer getekend door de tragiek van de geschiedenis. We ervoeren de bloedbaden waarin het grote gelijk kan eindigen – van de 17de-eeuwse godsdienstoorlogen tot nazisme en stalinisme. Ook erkennen we, recenter, de koloniale misdaden. Zo hebben we geleidelijk moeten leren de kruisridder in onszelf te wantrouwen. Daarbij ontberen we vandaag, anders dan de VS, de macht er zelf op uit te trekken, tenzij als lauwe bondgenoot.

Enkele jaren terug zei een Leidse hoogleraar militaire studies over democratie en rechtsstaat: „Dat we hier met iets universeels te maken hebben, blijkt uit de demonstraties op het Tiananmenplein in Peking, het Tahrirplein in Cairo, het Maidanplein in Kiev [...]. En als we er zelf niet meer in geloven, kunnen we dan nog wel de morele kracht opbrengen om de lasten van onze eigen verdediging te dragen?”

Maar is het ook denkbaar dat we onszelf verdedigen zonder de tegenstander te willen veranderen, domineren of vermorzelen? Kunnen we ons zelfrespect en onze identiteit als Europeanen losdenken van geharnast universalisme? Dat vraagt om tolerantie, om pluralisme, en dus om de erkenning van verschil – niet zozeer tussen individuen (in de mode) maar vooral ook tussen staten en culturen wereldwijd (uit de gratie).

De VS lijken niet in staat de lessen uit 9/11 te trekken, waarschijnlijk ook niet na het debacle in Kabul. Te verleidelijk klinkt er het verhaal van de Macht die het Goede doet, te krachtig is de verhalenfabriek van Washington, Hollywood & Silicon Valley. Zo riskeren wij Europeanen, zelf gevoelig voor deze retoriek, na Afghanistan en Irak in de nieuwe kruistocht te worden meegesleurd, met als inzet bijvoorbeeld Taiwan. Een eerste Nederlandse marineschip is al in Brits-Amerikaanse gezelschap op weg naar de Zuid-Chinese Zee. Toen we in Irak democratie gingen brengen, eindigde het in een burgeroorlog en in terreurstaat IS. Welke grap de ironie van de geschiedenis ditmaal voor ons in petto heeft, willen we liever niet weten.

Dus is het zaak om vast te stellen wat we als Europese Unie wel en niet willen, daarbij oog houdend voor tegenslag, verrassing en vergissing, én om het vermogen te ontwikkelen om de keuze zelf te kunnen maken. Momenteel kunnen Nederland en zijn buren inzake veiligheid slechts achter de VS aanhobbelen; dat we dat mopperend of twijfelend doen, maakt het alleen maar gênanter. Alleen al het herwinnen van het vermogen tegen Washington op grote vragen ‘Nee’ te zeggen, of ‘Liever zo’, wordt voor Europa heel hard werken. Toch moet dat. Tijd om uit dit besef van kwetsbaarheid nieuwe politieke kracht te putten.