Het vuur verspreidde zich razendsnel door de prehistorie

Archeologie Het was de eerste wereldwijde verspreiding van technologie: het vuur, 400.000 jaar geleden. Hoe ging dat de wereld over?

Modern vuurritueel: festival Burning Man in de woestijn van Nevada (VS).
Modern vuurritueel: festival Burning Man in de woestijn van Nevada (VS). Foto Jim Urquhart/Reuters

Stenen werktuigen gebruikt de mens al miljoenen jaren, maar veel minder lang verlicht het vuur voor ons de duisternis, wordt er eten op vuur gekookt, worden er wilde beesten mee weggejaagd en wordt de koude ermee verdreven. In een artikel dat op 3 augustus verscheen in de PNAS bevestigen vijf Nederlandse onderzoekers uit Leiden en Eindhoven de groeiende consensus dat het vuur ‘pas’ 400.000 jaar normaal onderdeel uitmaakt van het menselijk bestaan. Oudere vondsten van vuurplaatsen zijn veel te schaars en vooral ook te omstreden in interpretatie (bliksem of mensenwerk?) om te kunnen spreken van vuurgebruik. Voor de bekende hypothese van Richard Wrangham, dat al bijna twee miljoen jaar geleden Homo erectus zijn voedsel op vuur bereidde, zijn dus nog steeds niet voldoende aanwijzingen gevonden.

Om die datering van het vuurgebruik in perspectief te zetten: stenen werktuigen gebruikten menselijke voorouders al toen ze nog half in de bomen en alleen in Afrika leefden en nauwelijks meer hersenen hadden dan een chimpansee – Australopithecus ca. 3,2 miljoen jaar geleden. Maar 400.000 jaar leefden al mensachtigen overal in Eurazië en de herseninhoud was nauwelijks minder dan nu. In Europa leefden toen al de directe voorouders van de neanderthaler, en in Afrika stond toen ook de moderne mens, Homo sapiens, op punt van verschijnen.

En het interessante is dat nu de archeologen Wil Roebroeks en Katharine MacDonald, samen met Fulco Scherjon, Eva van Veen (alle vier Universiteit Leiden) en Krist Vaesen (TU Eindhoven), óók voorstellen dat de verspreiding van dat vuurgebruik de eerste wereldwijde technologische uitwisseling ooit moet zijn geweest. Maar hoe? Er trokken toen geen nieuwe mensensoorten over de aarde (zoals rond 1,8 miljoen jaar geleden de migraties van Homo erectus en na 70.000 die van Homo sapiens). En toch verscheen tussen 400.000 en 350.000 jaar terug ineens het vuur op verschillende plekken, in allerlei verschillende landschappen in Afrika en Eurazië. Voor genetische veranderingen die in theorie ook nog aan de basis van vuurgebruik zouden kunnen liggen, is dat veel te snel.

Een traditionele manier om vuur te maken in Tanzania.
Foto Getty Images
Een sjamanistisch vuurritueel in Mongolië.
Foto Getty Images

En dan blijft er dus maar nog maar één verspreidingsmethode over: door culturele uitwisselingen, van nomadische groep naar naburige nomadische groep en zo in enkele tienduizenden jaren de halve wereld rond. „Er moet dan dus wel enige onderlinge tolerantie zijn geweest tussen de verschillende groepen en zelfs tussen de verschillende mensensoorten die toen leefden”, zegt Katherine MacDonald in een toelichting via Zoom. „Dit is de eerste keer dat je dit echt ziet in de prehistorie”. MacDonald is onderzoeker aan de Universiteit Leiden en publiceerde eerder onder meer over vestigingspatronen van neanderthalers, prehistorische jachttechnieken en natuurlijk ook de verspreiding van vuur.

Na 350.000 jaar geleden hebben de mééste vindplaatsen aanwijzingen voor vuurgebruik

Hoe groot is de verandering in vuurgebruik rond 400.000 jaar geleden?

Katharine MacDonald: „Het is echt een opvallende toename, maar zoals zo vaak in de archeologie is het moeilijk in exacte cijfers uit te drukken. De kern is: vanaf dan zien we een breed spectrum van vuurgebruik op een aantal vuurplaatsen. Uit de periode tussen 400.000 en 350.000 jaar geleden zijn er zo’n vier à vijf vuurplaatsen teruggevonden in Afrika en West-Eurazië. En na zo rond 350.000 jaar geleden hebben de mééste vindplaatsen aanwijzingen voor vuurgebruik, soms in de vorm van lang en intensief gebruikte haardplaatsen. Je kan zeggen: is dat nou alles?

„Maar je moet dit duidelijke signaal afzetten tegen wat er uit oudere tijden bekend is: zo’n zes zéér omstreden vuurplaatsen uit de lange periode 1.500.000 tot 800.000 jaar geleden, met zelfs een groot gat tussen 800.000 en 400.000 jaar. We sluiten niet uit dat er in die eerdere tijd ook wel eens gebruik is gemaakt van vuur, als ze er bij wijze van spreken tegen aanliepen, bij een natuurbrand na bliksem bijvoorbeeld. Maar dat is niet het intense gebruik van later. Dat is het onderdeel van een nieuwe levenswijze waarbij de mensen in feite afhankelijk worden van het vuur. Je kan het ook zo zeggen: in een opgraving van rond 350.000 jaar oud is het niet verbazingwekkend om aanwijzingen voor vuurgebruik te vinden. In een vindplaats van voor 400.000 jaar geleden zou het een sensatie zijn.”

Vooral het verzamelen van geschikt brandhout is een hoop werk

Waarom wordt het vuur dan juist rond die tijd populair?

„Ja, dat is de vraag. Want ook eerder zou het echt nuttig zijn geweest. In feite is dan in Europa zelfs net een koude periode ten einde. Als het dan warmer wordt gaan ze ineens vuur gebruiken! Maar er lijken in Eurazië en Afrika wel belangrijke veranderingen te zijn die net voorafgaan aan het vuurgebruik. Juist in de voorafgaande periode ontstaat bijvoorbeeld een soort thuisbasissysteem bij de mensen. Het wordt normaler om voedsel en werktuigmateriaal niet langer ter plekke te verwerken maar om het op één verzamelplek samen te brengen. Een plek voor de langere termijn, waar je al die resten dan ziet opstapelen. Je kan toch wel zeggen dat de komst van het vuur zo’n plek vervolgens weer een stuk aantrekkelijker maakt. Een andere verandering die aan het vuur voorafgaat is dat er ook materialen van steeds verder weg worden gehaald, tot veertig, vijftig kilometer ver. Daarvoor was het allemaal veel lokaler.

„Er zijn ook wel kosten aan vuurgebruik verbonden. Vooral het verzamelen van geschikt brandhout is een hoop werk, zeker als ze niet in bebost gebied verblijven. Voor dat houtverbruik zou het veel verschil maken of de mensen toen al goed in staat waren om zelf vuur te maken als het nodig was, of dat ze altijd maar een vuur gaande moesten houden. Helaas weten we niet of die vaardigheid er al was. Alleen uit veel later tijd zijn bij neanderthalers wel eens sporen van vuurslag op stenen teruggevonden. Maar als ze het met houtjes deden, vind je er nooit iets van terug.”

Vuur onderhouden en vuurmaken zijn vaardigheden die je alleen al met observatie kunt oppikken

Met die groeiende onderlinge contacten, zou dan ook toen de taal kunnen zijn ontstaan? Om er maar eens een bekend raadsel bij te halen.

„Niemand weet het, maar mijn idee zou zijn van niet. Want vuur onderhouden en al dan niet ook dat vuurmaken zijn allebei vaardigheden die je alleen al met observatie goed kunt oppikken. Niemand hoeft je dat uitvoerig uit te leggen. Het is niet een intensief specialisme, iedereen zou het kunnen. Maar je moet dan natuurlijk wel in de buurt komen! Daarom is die tolerantie zo centraal, dat er contacten met relatieve vreemden mogelijk waren. Zo kan het vuur zich verspreiden. Of die tolerantie ook al eerder bestond, weten we niet. Er bestaat natuurlijk al wel genetische vermenging tussen verschillende mensensoorten. Dat zou je toch ook wel tolerantie kunnen noemen, hahaha.

„Rond 300.000 jaar geleden gaat een andere grote vernieuwing de wereld over, de nieuwe steenbewerkingstechniek van het Levallois die veel complexer is dan het Acheulien, bekend van de vuistbijlen, dat er aan vooraf gaan. Uit experimentele archeologie is bekend dat om die techniek te leren je echt wel intensief contact met een leraar moet hebben die je fouten direct verbetert. Maar ook dat is natuurlijk geen dwingend bewijs voor het bestaan van taal. Die snelle verspreiding van het Levallois, dat gelijktijdig verschijnt in Europa en Afrika, is wel een bewijs dat er toen een sterke infrastructuur van contact moet hebben bestaan. Wij denken dus dat de verspreiding van het vuur, 100.000 jaar vóór het Levallois, daarvoor het eerste bewijs is.”

En waar is dat vuurgebruik begonnen?

„Helaas! Daar kunnen we niets van zeggen, daarvoor hebben we nog echt te weinig vondsten. Een schale troost is dat we bij het Levallois óók niet weten waar dat is begonnen.”