Opinie

Verdrietig: islamisme is sterker dan ‘Fukuyama’

Aylin Bilic

Afgelopen weekend was ik verdrietig. En vooral teleurgesteld. Telkens werd mijn aandacht getrokken door beelden en berichten vanuit Afghanistan. Via Turkse retweets las ik over Afghaanse studentes die vluchtten, maar werden achtergelaten. Buschauffeurs in Kabul zouden geen verantwoordelijkheid meer willen nemen voor het vervoer van vrouwen, toen de Taliban de stad waren binnengedrongen. Volgens The Guardian kregen de jonge vrouwen te horen: „Het zijn je laatste dagen op straat, straks zit je binnen.” Wat staat al die vrouwen te wachten?

Toen de Afghaanse president Ashraf Ghani zondag het land ontvluchtte, waren de chaos en paniek compleet. Duizenden wanhopige Afghanen klommen op het vliegveld op vertrekkende vliegtuigen. Met deze wanhopige beelden eindigde twintig jaar westerse interventie onder leiding van Amerika. Mannen met baarden en lelijke blikken zaten inmiddels in het presidentieel paleis. Stuk voor stuk met een kalasjnikov om het lijf.

Ook ik moest denken aan de Vietnamoorlog. In mijn tienerjaren behoorde die uitzichtloze oorlog al tot het verleden, maar werd die nog vaak aangehaald in media en in huiselijke kring. De uitzichtloosheid gold veel later ook voor de slepende Irakoorlog, waar Amerika Saddam Hoessein van zijn sokkel trok, maar daar het radicale islamisme van IS voor terugkreeg. Nog voordat Amerika vertrok uit Irak was Libië aan de beurt. Gaddafi moest vertrekken (2011). Maar hoeveel beter gaat het nu met het land?

In mijn jeugd ging het nieuws vooral over onderdrukking en onvrijheid in communistische landen. Met de val van de Muur kwam daar een einde aan. Volgens de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama betekende die val tevens het einde van de ideologische strijd tussen de wereldbeschouwingen. In meer of mindere mate geloofden we daar allemaal in. De liberale democratie zou overblijven als het enige rationele systeem voor samenlevingen op aarde. Direct na 1989 zagen we inderdaad veel landen van binnenuit democratiseren. De Baltische staten en delen van Oost-Europa zijn mooie voorbeelden. Zelfs Rusland leek enige tijd op weg naar democratie. Die landen zetten daarmee de lijn door van Japan en Duitsland die zich na de Tweede Wereldoorlog – zonder echte democratische voorgeschiedenis – tot voorbeeldige democratieën ontwikkelden.

Maar voor die delen van de wereld met een sterke islamistische (en dus anti-democratische) stroming lijkt dit geluk niet weggelegd. Of het nu gaat over landen die in de greep kwamen van de Arabische lente (verandering van binnenuit) of landen waar het Westen door militair ingrijpen democratische krachten wilde versterken, zoals Afghanistan, Irak en Libië: dit weekend is definitief duidelijk geworden dat democratische, menselijke en rechtsstatelijke waarden verwezenlijken in landen met dominant islamistisch gedachtegoed een illusie is. Ik zat er faliekant naast met mijn Fukuyamaanse geloof.

Tienduizenden Amerikaanse en andere westerse veteranen voelen zich vernederd. De Afghaanse bevolking voelt zich in de steek gelaten. Hoe kan dat? Doordat we in het Westen de hardnekkigheid van het islamisme nooit goed hebben begrepen.

Waar ik me aan vastklamp: heel misschien is in landen waar de politieke islam regeert verandering van binnenuit op de heel lange termijn ooit toch mogelijk. Maar een land als Iran biedt wat dat betreft weinig hoop. En hoe groot is de kans voor een volk nog om in opstand te komen tegen zijn eigen regime in tijden van technologische massacontrole? Dat deprimerende vooruitzicht delen democratische geesten in islamistische landen met geestverwanten in onder meer China en Rusland.

Wat betekent dit voor de westerse buitenlandse politiek? Moeten we verder maar afzien van het actief stimuleren van democratische principes? Of moeten we de onvrijheid wereldwijd gaan bestrijden door volop in te zetten op keiharde (economische) sancties voor landen die democratische vrijheden en mensenrechten niet respecteren? Of was ons optreden in Afghanistan juist te slap en hebben we een nog radicalere variant van George W. Bush nodig om de mensheid militair te bevrijden van onderdrukkende regimes, net als in de Tweede Wereldoorlog?

Waar ik bang voor ben is dat we de neiging krijgen een andere weg in te slaan. Dat we de onvrijheid de onvrijheid laten en gewoon gaan samenwerken met foute regimes. Net als China en Rusland dat doen. En dat we dat gaan rechtvaardigen met twee (nieuwe) ideologische argumenten: ‘eigenbelang boven alles’ (populistisch-rechts) of ‘democratisch idealisme is westers paternalisme’ (radicaal-multicultureel-links). Wat een armoe, vergeleken met Fukuyama.

Aylin Bilic is ondernemer en publicist.