2010: Amerikaanse commando’s zijn gedropt in de buurt van de Zuid-Afghaanse stad Marja.

Foto Patrick BAZ / AFP

Twintig jaar strijd: de Amerikaanse oorlog tegen moslimterreur die de wereld veranderde

‘War on terror’ Met het chaotische vertrek uit Afghanistan eindigt de langste oorlog die de Verenigde Staten ooit hebben gevoerd. Na de aanslagen van 9/11 sloegen de Amerikanen terug met een ‘war on terror’. Een terugblik op gebeurtenissen die ook de rest van de wereld diep raakten.

Op 11 september 2001 boorden twee vliegtuigen zich in de beide torens van het ruim 400 meter hoge World Trade Center in New York. De wereld zag hoe wanhopige mensen vanaf de hoogste etages naar beneden sprongen, en hoe de brandende torens tenslotte instortten. Hoe ook het Pentagon door een vliegtuig werd geraakt. Een vierde gekaapt toestel, met het Witte Huis als doel, stortte door verzet van passagiers neer in Pennsylvania. Bij de aanslagen van terreurnetwerk Al-Qaida, de grootste uit de geschiedenis, kwamen in totaal 2.977 mensen om het leven, de 19 kapers incluis.

Meteen concludeerden veel mensen dat de wereld na 9/11 nooit meer dezelfde zou zijn. In diverse opzichten was dat ook zo. De Verenigde Staten, die sinds het einde van de Koude Oorlog golden als de laatste overgebleven supermacht, oogden door de aanslagen – het werk van een klein groepje radicale moslims met relatief bescheiden middelen – plotseling verrassend kwetsbaar. Het leek wel of de keizer geen kleren meer aan had.

De regering van president George Bush was er hoe dan ook op gebrand, zowel voor het thuisfront als voor de rest van de wereld, te laten zien dat er met Amerika niet viel te sollen. Zo begonnen de Amerikanen een ‘War on Terror’. Daarmee zetten zij een reeks gebeurtenissen in gang die de wereld tot vandaag parten speelt, met name in het Midden-Oosten.

„De wereld is samengekomen om een nieuwe, andere oorlog uit te vechten”, zei Bush nog diezelfde maand, „de eerste en, naar wij hopen, enige van de eenentwintigste eeuw. Een oorlog tegen al degenen die terreur proberen te exporteren en een oorlog tegen die regeringen die hen steunen of onderdak bieden.”

De aanslagen hadden nog een andere, ingrijpender verandering tot gevolg: de verstandhouding tussen moslims en het Westen, toch al enigszins gespannen, verslechterde er aanzienlijk door. Zo tekende zich een ‘clash of civilizations’ af, een botsing van beschavingen die de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington in de jaren 90 al had voorspeld.

Dit was ook precies wat de inspirator van de aanslagen, Osama bin Laden, beoogde. Hoe scherper de tegenstellingen hoe beter, vond hij. Zo zouden de moslims tot elkaar worden gedreven, weg van de verderfelijke westerse invloeden, en zou de kans op een uiteindelijke zege voor de radicale islam groeien. „Ik zeg dat deze gebeurtenissen de wereld in twee kampen hebben gespleten: het kamp van de gelovigen en dat van de ongelovigen. Moge God ons en jullie beschermen tegen hen”, verklaarde hij opgetogen in oktober 2001.

Jubelend de straat op

Terwijl de puinhopen in New York en Washington nog rookten, gingen in sommige islamitische landen mensen jubelend de straat op, zoals in de Palestijnse gebieden en in Pakistan. Ook in Nederland circuleerden er berichten over feestende moslimjongeren in onder meer Ede, al bleek achteraf dat de lokale politie die meldingen had aangedikt.

De aanslagen legden echter wel degelijk een zware hypotheek op de onderlinge relatie tussen niet-moslims en moslims, juist in Europa met zijn grote islamitische minderheden. Veel moslims die de aanslagen evenzeer verafschuwden kregen het onbehaaglijke gevoel dat ze plotseling werden gewantrouwd.

Op 7 oktober 2001 begonnen de Verenigde Staten met luchtbombardementen op doelen in Afghanistan. Op de grond kwamen Afghaanse vijanden van de Taliban in beweging en in een mum van tijd namen de fundamentalisten de benen uit Kabul. Nog voor het einde van het jaar werd in Bonn door de Amerikanen een nieuwe Afghaanse regering in elkaar gezet onder leiding van Hamid Karzai. Ook zetten de Amerikanen en hun NAVO-bondgenoten, onder wie Nederland, een veiligheidsstructuur op, om het nieuwe bewind te steunen.

De interventie in Afghanistan kon in het grootste deel van de wereld op begrip en sympathie rekenen

De interventie in Afghanistan kon in het grootste deel van de wereld op begrip en sympathie rekenen. Weigerden de Taliban immers niet om Bin Laden, de man achter de aanslagen en leider van terreurnetwerk Al-Qaida, uit te leveren aan Washington? En werd het hoe dan ook geen tijd om een eind te maken aan het anachronistische en gewelddadige bewind van de Taliban, dat meisjes het recht op onderwijs ontzegde en dat muziek noch dans tolereerde?

Lees ook: Wie zijn de Taliban en wat willen deze mannen?

Op 12 oktober 2002 bleek voor het eerst dat de negentien kapers school hadden gemaakt met hun aanslagen. Islamitische extremisten voerden op het Indonesische eiland Bali een reeks bomaanslagen uit in badplaats Kuta. Daarbij kwamen 202 mensen om het leven, onder wie 88 Australische toeristen. In hoeverre Al-Qaida hierbij de regie voerde, is overigens nooit met zekerheid vastgesteld.

Geen flesje water meer

Tegen die tijd had de dreiging van terrorisme grote invloed op het dagelijks leven in grote delen van de wereld. De veiligheidsmaatregelen op luchthavens werden snel aangescherpt. Wie nog wilde vliegen ontkwam er vaak niet aan om zijn schoenen uit te doen, zijn broekriem los te maken en afstand te doen van alle scherpe voorwerpen, flesjes water of andere vloeistoffen.

Fundamenteler waren de inperkingen van allerlei burgerlijke vrijheden. In verschillende landen werden nieuwe wetten ingevoerd, zoals de Patriot Act in de VS, die politie, justitie en inlichtingendiensten zeer ruime armslag gaven bij het opsporen van terreurverdachten – wat onder meer leidde tot het verzamelen en opslaan van gegevens van mensen die nooit als verdachte werden aangemerkt.

De Indonesische badplaats Kuta, Bali, waar in oktober 2002 ruim tweehonderd mensen omkwamen na een aanslag van islamitische extremisten.

Foto Jonathan Drake / Reuters

Ook werd het mogelijk om terreurverdachten zonder aanklacht vast te houden, en vormen van marteling werden gelegaliseerd. Hoe hard de kritiek op de Patriot Act internationaal ook was, in de Verenigde Staten zijn de belangrijkste maatregelen uit die wet keer op keer verlengd, zowel door de progressieve president Obama als door de populistische Trump.

De dreiging van terreur was voor autocratische leiders intussen een prachtige aanleiding om binnenlandse oppositie verdacht te maken. Zo verstevigde de Russische president Poetin zijn macht in 2004 na de bloedige afloop van een schoolgijzeling in Noord-Ossetië die aan Tsjetsjeense terroristen werd toegeschreven.

In de loop van 2002 was de Amerikaanse president Bush met zijn hoofd al volop bij een volgende fase de War on Terror: interventie in Irak. Een aantal haviken in de entourage van Bush, zoals minister van Defensie Donald Rumsfeld en zijn vice-minister Paul Wolfowitz, grepen de oorlog tegen de terreur aan om af te rekenen met een andere vijand, de Iraakse leider Saddam Hussein.

Lees ook: Wat is de Nederlandse rol in Afghanistan geweest?

Daarbij gingen ze er aan voorbij dat Saddam al ruim een decennium half aan de ketting lag door een reeks VN-sancties, na zijn mislukte poging Koeweit bij Irak in te lijven. Ook negeerden ze het feit dat Saddam geen fundamentalistische moslim was en geen contacten onderhield met Al-Qaida. Desondanks schilderden ze Saddam af als een gevaar voor de stabiliteit in het Midden-Oosten.

Op 5 februari 2003 sprak de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties toe. Daar presenteerde hij naar eigen zeggen bewijzen voor massavernietigingswapens die Saddam Hussein in Irak zou hebben gestationeerd. Later zou duidelijk worden dat de door inlichtingendiensten aangeleverde informatie niet deugde. Het geknoei met bewijsmateriaal was nieuwe brandstof voor complotdenkers, die vaak ook al twijfelden aan de officiële lezing over de aanslagen van 11 september. ‘De regering’, ‘de CIA’, ‘de Joden’ – ze werden allemaal, en soms allemaal tegelijk, verdacht van grote samenzweringen.

Nederland steunde inval Irak

Ditmaal stond de wereld allerminst unaniem achter de Amerikanen. Met pijn en moeite sleepten de VS een resolutie bij de Veiligheidsraad uit het vuur, waarvan ze stelden dat die kon worden uitgelegd als een mandaat voor actie tegen Irak. Maar traditionele bondgenoten als Duitsland en Frankrijk deden vanaf het begin niet mee en ook veel Arabische staten weigerden mee te doen aan een inval in Irak. Alleen de Britse premier Tony Blair schaarde zich pal achter Bush, de Nederlandse regering onder premier Jan Peter Balkenende beperkte zich tot ‘politieke steun’.

Veel moslims legden het uit als een nieuwe aanval op de islamitische wereld. Op 20 maart 2003 vielen Amerikanen en Britten na bombardementen Irak binnen en stoomden in korte tijd op tot Bagdad. Massavernietigingswapens waren nergens te bekennen.

De Amerikanen, die nauwelijks bleken te hebben nagedacht over de vraag hoe Irak verder moest worden bestuurd, slaagden er niet in een nieuwe stabiele regering te vormen. Vooral de oude soennitische minderheid verzette zich steeds feller tegen de nieuwe sjiitische machthebbers, die Irak met de zegen van de Amerikanen bestuurden. Hun strijd trok veel radicale moslims aan.

Amerikaanse soldaten staan achter een piramide van gevangenen in Abu Ghraib, een gevangenis nabij de Iraakse hoofdstad Bagdad.

Foto AP

Met harde hand probeerden de Amerikanen de orde te herstellen en dit ontaardde soms in excessen. Zoals in de gevangenis van Abu Ghraib, waar Amerikaanse bewaarders lachend naakte Iraakse gevangenen vernederden – waar ze nota bene foto’s van maakten – en soms ook martelden.

In Camp Bucca, een andere, soortgelijke gevangenis, verbleef enige tijd Abu Bakr al-Baghdadi, die later Islamitische Staat zou oprichten. De gevangenissen werden wrang genoeg broedplaatsen voor terroristen, die na hun vrijlating met verdubbelde energie de VS en hun bondgenoten te lijf gingen.

Lees ook deze opinie: De exit-strategie van de VS in Afghanistan is rampzalig

Niet alleen in Irak, ook in Europa radicaliseerden veel jonge moslims, die via de sociale media dagelijks beelden voorgeschoteld kregen van hard optredende westerse militairen, soms uit hun eigen land tegen hun geloofsgenoten in Afghanistan en Irak. Er volgde een reeks grote aanslagen, onder meer in Madrid in 2004 en in Londen in 2005.

Op 2 november 2004 werd in Nederland filmmaker Theo van Gogh vermoord door een radicale moslim. Bij elke aanslag kwamen moslims en niet-moslims vaak ongewild tegenover elkaar te staan. Steeds waren er niet-moslims die moslims in hun land onder druk zetten om zich te distantiëren van zulke fundamentalisten, waardoor de hele moslimgemeenschap zich in de verdrukking voelde.

Anders dan ze verwacht hadden, zakten de Amerikanen en hun westerse bondgenoten zowel in Afghanistan als in Irak allengs verder weg in een moeras, wat hun aanzien in de wereld schaadde. De ene ‘surge’ – extra inzet van militairen, soms met tienduizenden tegelijk – na de andere leidde niet tot het gewenste resultaat en de Amerikanen werden door een aanzienlijk deel van de bevolking steeds meer als een bezetter gezien. Dat ze verkiezingen lieten houden, scholen voor meisjes en ziekenhuizen bouwden en in totaal voor vele miljarden in het land investeerden, vergaten velen daarbij.

Obama in Cairo

Op 4 juni 2009 hield de vers aangetreden Amerikaanse president Barack Obama een toespraak in Cairo waarin hij impliciet afstand nam van de invasie in Irak en beloofde de troepen uit dat land terug te trekken. Zijn uitspraak dat „Amerika niet kan doen alsof ze weet wat het beste is voor iedereen” werd opgevat als de aankondiging van de normalisering van de verhoudingen met de islamitische wereld, die door George Bush zo hardhandig waren verstoord. Maar dat wil niet zeggen dat Obama de strijd tegen moslimterrorisme opgaf.

Op 2 mei 2011 doodden Amerikaanse commando’s Osama bin Laden, de leider van Al-Qaida, in diens schuilplaats in Pakistan. Datzelfde jaar trokken de Amerikanen zich grotendeels terug uit Irak. Niet lang daarna diende zich een beweging aan, die in veel opzichten nog radicaler was dan het door de Amerikanen gedecimeerde Al-Qaida. De nieuwe beweging, bestaand uit soennitische Iraakse strijders en radicale Syriërs, won snel terrein in het noordoosten van Syrië en in Noord-Irak. In 2014 namen ze zelfs de Iraakse miljoenenstad Mosul in.

Islamitische Staat, zoals de strijders zichzelf gingen noemen, vestigde in grote delen van Noord-Irak en noordoostelijk Syrië een streng islamitisch regime van ongekende wreedheid

Op 29 juni 2014 riep Abu Bakr al-Baghdadi, voormalig gevangene van de Verenigde Staten, het Kalifaat uit en zichzelf tot kalief. Islamitische Staat, zoals de strijders zichzelf gingen noemen, vestigde in grote delen van Noord-Irak en noordoostelijk Syrië een streng islamitisch regime van ongekende wreedheid. Publieke onthoofdingen waren aan de orde van de dag. Zelfs het bewind van de Taliban verbleekte hierbij. Geradicaliseerde moslimjongeren uit veel Europese en Noord-Afrikaanse landen spoedden zich echter richting Syrië en Irak om zich bij deze radicale fundamentalisten aan te sluiten.

2014: een strijder van Islamitische Staat zwaait met een vlag en een geweer, in de straten van het Syrische Raqqa.

Foto Reuters

Omdat IS snel oprukte en de hoofdstad Bagdad in gevaar leek, zagen de Amerikanen zich – tegen hun zin – genoopt andermaal te interveniëren in Irak. Opmerkelijk daarbij was dat ze de handen ineensloegen met Iran, dat toch al dankbaar gebruik had gemaakt van de val van Saddam Hussein om zijn eigen invloed in het overwegend sjiitische Irak aanzienlijk uit te breiden.

De confrontatie met IS ging gepaard met een lange reeks bomaanslagen buiten IS-gebied. Veruit de meeste slachtoffers vielen daarbij in de islamitische wereld zelf, van Pakistan tot Nigeria. Maar ook Europa bleef niet buiten schot en werd onder meer opgeschrikt door bloedige aanslagen in Parijs, Nice, Brussel, Berlijn, Londen, Stockholm en Manchester.

Einde van het kalifaat

In de jaren erna werd het kalifaat gestaag kleiner, aangevallen en gebombardeerd door verschillende landen en groeperingen, waaronder naast de VS ook Rusland, Turkije en strijders van verschillende groepen in de Syrische burgeroorlog die met de strijd tegen IS verknoopt was geraakt. Op 23 maart 2019, enkele maanden nadat de Amerikaanse president Trump de overwinning al had geclaimd, namen strijders van het Vrije Syrische Leger het laatste territorium van het kalifaat in.

President Obama had al beloofd de Amerikaanse troepen terug te trekken uit Irak en Afghanistan, maar hij had zich door zijn generaals laten beïnvloeden en integendeel in 2011 méér soldaten naar Afghanistan gestuurd om Al-Qaida en Taliban definitief te verslaan. Op 18 december 2011 vertrokken wel de laatste Amerikaanse soldaten uit Irak.

Zijn opvolger Donald Trump maakte ernst met het beëindigen van de ‘forever wars’. Onder zijn leiding werd het aantal Amerikaanse militairen overzee verder beperkt. Toch gaf ook hij toe aan zijn veiligheidsadviseurs die erop aandrongen een beperkte troepenmacht in Afghanistan te houden. Intussen opende hij wel onderhandelingen met de Taliban.

Op 29 februari 2020 sloot de regering-Trump in Qatar een overeenkomst met de voormalige vijand, de Taliban. De Afghaanse regering, Amerika’s bondgenoot, werd niet in de overeenkomst gekend. Van zijn kant beloofde Trump dat de Amerikaanse troepen op 1 mei 2021 uit Afghanistan zouden zijn vertrokken. Zijn opvolger Joe Biden stelde die einddatum bij tot 1 september 2021.

Bidens aankondiging luidde een razendsnelle opmars van de Taliban in. Op 15 augustus 2021 viel ook Kabul, zonder slag of stoot, in hun handen. Daarna restte de VS nog slechts een roemloze aftocht. Na een chaotische evacuatie verlieten de laatste Amerikaanse militairen op 30 augustus Afghanistan.

Met medewerking van Bas Blokker.