Opinie

Prijs der Nederlandse Letteren had gewoon uitgereikt moeten worden

Literaire prijs Astrid Roemer mag zelf uitmaken of zij een politieke opdracht heeft en een groep wil vertegenwoordigen, schrijft .
NDP-partijvoorzitter Desi Bouterse spreekt zijn aanhang toe in Paramaribo tijdens de slotbijeenkomst na de verkiezingen.
NDP-partijvoorzitter Desi Bouterse spreekt zijn aanhang toe in Paramaribo tijdens de slotbijeenkomst na de verkiezingen. Foto Hollandse Hoogte / ANP

Astrid Roemer krijgt de Prijs der Nederlandse Letteren maar ze krijgt hem toch ook niet. Dat wil zeggen: er wordt veertigduizend euro naar haar bankrekening overgemaakt, een relatief gering bedrag voor de allerhoogste literaire onderscheiding in ons taalgebied, maar het eerbetoon, de huldiging in het Koninklijk Paleis te Brussel met witte wijn en petit-fours, een oorkonde en een zoetgevooisde toespraak door koning Filip, gaat niet door.

Daartoe besloot het comité van Nederlandse en Vlaamse ministers binnen 24 uur nadat een groep verontruste burgers alarm had geslagen over haar bewondering voor de wegens moord en drugshandel veroordeelde ex-president Desi Bouterse, zo onthulde Gerard Spong in NRC (Spong versus Roemer, 14/8). De prijs is kennelijk meer dan een erkenning van literaire verdiensten. Ze wordt niet uitgereikt zonder een door de overheid verstrekt bewijs van goed gedrag.

Roemer noemde Bouterse een moedig man die geen veroordeling maar een standbeeld verdient voor zijn rol in het dekolonisatieproces van Suriname. Geen misverstand: dat is een idioot standpunt en bovendien zeer pijnlijk voor de nabestaanden van de vijftien mannen die op zijn bevel in december 1982 standrechtelijk werden geëxecuteerd. Maar een mening, hoe abject ook, is geen misdaad. En dat de schrijfster, en met haar nog steeds een niet onaanzienlijk deel van haar landgenoten, deze opvattingen huldigde, wist de deskundige jury van de Prijs natuurlijk best. Ze vertelde er bijvoorbeeld ruim een jaar geleden over tijdens een interview in het Amsterdamse debatcentrum De Balie.

Volgens de ministers dient de jury „persoonlijke standpunten niet in aanmerking te nemen bij de beoordeling van het oeuvre”. Ik heb de indruk dat het werk van Roemer nu juist bol staat van de ‘persoonlijke standpunten’ en dat die persoonlijke blik er mede de kwaliteit van bepaalt. De jury prijst zelfs haar politiek engagement. Toch legt men zich nu gedwee neer bij het besluit van de ministers. In een even bloemrijke als clowneske reactie tegenover het Vlaamse dagblad De Standaard laat voorzitter Yves T’Sjoen weten dat mevrouw Roemer maar wat blij mag zijn met de genereuze financiële bijdrage en „de inscriptie in het gulden boek” van de Nederlandse letteren want „het is uiteindelijk de literatuur die moet zegevieren”. De uitreiking en de, inmiddels ook afgezegde, publieksmanifestaties noemt hij „glazuur”. Maar is dat openbare eerbetoon niet juist de kern en het doel van zo’n prijs? Je brengt het werk van de auteur ermee onder de aandacht. Het lezerspubliek heeft niets aan de financiële transactie en de vermelding op Wikipedia.

Opvallend stil

Rellen en relletjes over prijzen worden doorgaans enthousiast opgepookt in de literaire wereld. Hugo Brandt Corstius mocht de P.C. Hooftprijs niet krijgen omdat hij een minister met Eichmann had vergeleken. Daar werd wekenlang over gedebatteerd en zelfs door het voltallige kabinet over vergaderd. Sindsdien wordt die prijs niet meer door een bewindspersoon uitgereikt. Koning Albert weigerde Gerard Reve te huldigen. Niet omdat de schrijver zich ronduit racistisch had uitgelaten over Surinaamse Nederlanders (die moesten „allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki-tjoeki stoomboot enkele reis Takki-Takki oerwoud” worden gezet), dat was kennelijk geen beletsel, maar omdat zijn levensgezel beschuldigd werd van ontucht met een minderjarige. Steevast leiden deze en soortgelijke gevallen tot danige ophef, waarbij artistieke principes en de vrijheid van meningsuiting van stal worden gehaald. Nu blijft het nogal stil.

Lees ook deze column van Stephan Sanders: ‘Roemers visie is moorddadig’

Eén van de weinigen die dezer dagen wel van zich liet horen, is oud-ambassadeur Rita Rahman. Als voorzitter van de werkgroep Caraïbische Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde was zij aanvankelijk van plan de uitreiking bij te wonen, zo schrijft zij in een open brief, hoewel zij een broer en een partner verloor bij de moordpartij in Fort Zeelandia. Wat voor haar telde, was immers niet zozeer het schrijverschap van deze ene laureaat, maar dat „oud-gekoloniseerden in de persoon van Astrid H. Roemer” erkenning zouden krijgen. Onder die oud-gekoloniseerden verstaat zij niet alleen nog levende schrijvers, ook dode auteurs als Bea Vianen, Edgar Cairo, Frank Martinus Arion, Anil Ramdas en Shrinivási horen erbij. (Maar niet Cola Debrot, Albert Helman, Tip Marugg en Boeli van Leeuwen?) Met haar Bouterse-standpunt heeft Roemer het ambassadeurschap voor dit bonte gezelschap nu verspeeld. Sterker nog: het maakt volgens Rahman dat ook de strikt literaire visie van de jury op haar werk nu moet worden herzien. Het is bij nader inzien helemaal geen knappe verbinding van persoonlijke lotgevallen met de grote geschiedenis van kolonialisme en dekolonisering. Roemer begrijpt niets van Suriname, aldus Rahman. En ze zaait tweedracht terwijl ze voor verbinding zou moeten zorgen.

Het is beter om de staatshoofden er voortaan buiten te laten

Natuurlijk heeft de toekenning van deze prijs aan een uit Suriname afkomstige auteur symbolische waarde. En logisch, dat wie eenzelfde achtergrond heeft dit graag als een doorbraak wil vieren. Maar iedere schrijver heeft er recht op om zelf uit te maken of zij een politieke opdracht heeft en een groep wil vertegenwoordigen – of misschien toch liever alleen maar zichzelf. Wanneer anderen die beslissing voor je nemen, en dan ook nog eisen aan je werk gaan stellen, is dat zacht gezegd onbeleefd en neerbuigend. Hard gezegd: een miskenning en vernederend.

Emancipatie

Misschien verklaart het idee dat de bekroning als een soort groepsprestatie moet worden beschouwd ook wel de relatieve stilte rond deze affaire. Als gezegd: ieder virtueel kwetsuurtje, elke vete van oude witte mannen als voorheen Reve, Hermans of Mulisch en nog steeds Brouwers werd en wordt tussen voor- en tegenstanders breed uitgemeten, ook nog na vele jaren en soms zelfs in gulden boeken. Voor Astrid Roemer nam alleen Maria Vlaar, in een Vlaamse krant, het op. Alsof het een ruzie in een subgroepje betreft en de rest van de Nederlandse letteren dus niet echt aan gaat. Een onderafdeling die je wel moet beschermen en af en toe wat aandacht moet geven, maar die je toch niet helemaal serieus hoeft te nemen.

Als dat idee klopt, staat het er slecht voor met de emancipatie van schrijvers zonder oer-Hollandse achtergrond. Dan horen ze er dus nog steeds niet echt bij. Zelfs niet als ze, anders dan Astrid Roemer, wel politiek-correcte meningen verkondigen en zich extra netjes gedragen. Dat zou een schande zijn en iets waar wel degelijk iedereen zich zorgen over hoort te maken.

Aan de afgelasting van het Brusselse feest zal wel niets meer te doen zijn. Maar om te voorkomen dat bij de volgende bekroning opnieuw eerst een jury zich over de boeken uitspreekt en daarna de regering een oordeel over de persoon van de schrijver gaat en diens ‘persoonlijke standpunten’ gaat vellen, lijkt het dienstig om de staatshoofden van de twee landen er voortaan buiten te laten. Het is prima als schrijvers zich met de politiek bezighouden, maar de politiek heeft in de literatuur niets te zoeken. En ook al meten schrijvers zich soms vorstelijke allures aan, de letteren zijn geen koninkrijk. Ze vormen een republiek – en daarin heeft iedereen, op grond van haar literaire werk, gelijke rechten.