Analyse

Is de literaire genialiteit van de Franse schrijver Céline los te zien van zijn foute ideeën?

Louis-Ferdinand Céline Een berg teruggevonden manuscripten zou onze kijk op Céline moeten veranderen. Zijn de literaire kwaliteiten van de Franse schrijver los te zien van zijn foute ideeën?

Louis-Ferdinand Celine in Meudon
Louis-Ferdinand Celine in Meudon Foto: Roger Viollet/Getty

Om de zoveel tijd duikt het probleem Céline op, als een periodieke kiespijn waarop je gaandeweg ook een beetje gesteld bent geraakt. Wat te doen met de geniale schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), die er foute – antisemitische, racistische – ideeën op nahield en tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitse bezetter? De aanleiding is ditmaal het nieuws dat de berg manuscripten is teruggevonden, die in 1944 uit Céline’s Parijse woning werd ontvreemd nadat hij voor de geallieerden op de vlucht was geslagen. Volgens sommige kenners dient onze kijk op zijn schrijverschap grondig te worden bijgesteld vanwege al dit nieuwe materiaal, waaronder een complete, nooit gepubliceerde roman. Wie weet. Maar zou er nu ook een eind komen aan het probleem Céline? Dat valt te betwijfelen. Tenzij de brieven aan mede-collaborateur Robert Brasillach (die zich naar verluidt tussen de manuscripten bevinden) vol filosemitisme zouden staan – wat niet voor de hand ligt.

Wie twijfelt aan de ernst van Céline’s foute ideeën en gedragingen verwijs ik naar Céline, la race, le juif (2017) van Annick Duraffour en Pierre-André Taguieff, een extreem vijandig maar goed gedocumenteerd requisitoir van meer dan duizend bladzijden. Ook zij stuiten op het probleem Céline, dat zij reduceren tot de vraag: hoe is het mogelijk dat zo’n boef een meesterwerk als Reis naar het einde van de nacht heeft kunnen schrijven?

Vergeleken met dit verpletterend zwartgallige epos, dat begint op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog en eindigt in een arme voorstad van Parijs, vinden zij de rest van het oeuvre mindere waar. Voor het probleem Céline maakt dat niet uit: één meesterwerk is genoeg. Tegelijkertijd dient zich de vraag aan of er wel van een bruikbare tegenstelling kan worden gesproken. Anders gezegd: hoe zinvol is het om een literair werk allereerst, laat staan uitsluitend met morele of politieke criteria te beoordelen? In deze tijden van cancel culture een onveranderd actuele kwestie.

‘Stilist’

Veel liefhebbers hebben de schrijver Céline willen redden door de romans rigoureus te scheiden van de ideeën, die inderdaad in die romans amper een rol lijken te spelen. Céline zelf hield de zaken ogenschijnlijk graag gescheiden: de esthetiek in de romans, de foute ideeën in de drie grote pamfletten die hij in de jaren dertig en veertig schreef. Na de oorlog verkondigde hij keer op keer dat literatuur niets te maken had met ‘ideeën’ noch met ‘boodschappen'. Als schrijver was hij allereerst een ‘stilist’. En zo diende hij ook te worden beoordeeld. De vraag is alleen of je door de zaken zo streng te scheiden wel een goed zicht krijgt op Céline’s schrijverschap.

Neem die naoorlogse pretentie allereerst een stilist te zijn. Of zoals hij het zelf uitdrukte in een interview uit 1954: ‘Ik ben maar een uitvindertje, een uitvindertje, jazeker! en van een kleinigheidje maar, niet meer dan een kleinigheidje.’ Wat had hij uitgevonden? In hetzelfde interview lezen we: ‘Ik heb de emotie weer in de schrijftaal gebracht...’ Niemand die zijn boeken kent, zal het bestrijden. Want emotioneel, van een ongewone intensiteit, is wat Céline heeft geschreven beslist. De taal van de straat, het rauwe jargon van de gestampte pot, heeft hij in de letteren geïntroduceerd, ten koste van iedere verheven pretentie of officiële dikdoenerij. Het ging hem om ‘een bepaalde muziek, een bepaald muziekje dat ik in de stijl heb aangebracht, dat is alles’. In dezelfde anti-verheven sfeer ligt zijn bekentenis, dat hij altijd alleen ‘voor het geld’ zou hebben geschreven.

Lees ook: de recensie over ‘Reis naar het einde van de nacht’

Zou het echt? In een ander naoorlogs interview zei Céline: ‘Ik heb wel een gave voor literatuur maar ik heb er geen roeping voor. Mijn eigen roeping is de geneeskunde, niet de literatuur’. Als arts had hij zich gespecialiseerd in de hygiëne, onder meer met een proefschrift over de negentiende-eeuwse Hongaarse arts Ignaz Semmelweis, die ontdekte waardoor de dodelijke kraamvrouwenkoorts werd veroorzaakt (een gebrek aan hygiëne bij de behandelende artsen). Céline’s uiterst merkwaardige proefschrift uit 1924 leest als een aankondiging van zijn eigen carrière, niet als arts maar als schrijver. Semmelweis’ ontdekking was volgens Céline namelijk meer ‘poëzie’ dan wetenschap geweest. De ware arts is dus eigenlijk een soort dichter. En hij is een profeet, een ‘ziener’ – die voor zijn visioenen een zware prijs betaalt, als ze door zijn tijdgenoten niet worden erkend. Dat laatste was Semmelweis overkomen, en het overkwam hemzelf – althans in eigen ogen, toen hij in de jaren dertig waarschuwde tegen het oorlogsgevaar.

Die waarschuwingen stonden in zijn pamfletten Bagatelles pour un massacre (Kleinigheden voor een bloedbad) uit 1937 en L’école des cadavres (De school der kadavers) uit 1938, waarin hij de Joden aanwees als de grootste oorlogshitsers. Maar dat was niet het enige. Als een ware ‘arts van de cultuur’ (Nietzsche) beschuldigde hij de Joden er ook van de Franse nationale cultuur te hebben verziekt. En dan blijkt het ‘muziekje’ dat Céline claimde te hebben uitgevonden nog heel wat meer te betekenen dan enkel een stijlprincipe. ‘De wereld heeft geen melodie meer’, schrijft hij in Bagatelles. Gedomineerd door het Jodendom zou de moderne tijd ten prooi zijn gevallen aan een algehele ‘robotisering’. Overal, in de literatuur maar ook daarbuiten, heerste dezelfde ‘standaard’, overal dezelfde uniforme, levenloze monotonie: ‘de middelmatige hel, de hel zonder vlammen’, aldus Céline.

Sympathie voor Hitler

Daartegen hielp volgens de dokter-dichter maar één ding: rassenhygiëne. Vandaar zijn sympathie voor Hitler, tegen wie de Joden in zijn paranoïde ogen een nieuwe oorlog wilden ontketenen. ‘Racisme eerst! Racisme voor alles!’, lezen we in L'école des cadavres. Céline zingt de lof van de ‘haat’ (tegen de Joden) en van een Frans-Duitse alliantie, een ‘Confederatie van de Arische Staten van Europa’. Zo ziet zijn ‘pacifisme’ (dat soms ter verontschuldiging van zijn Jodenhaat wordt aangevoerd) er in werkelijkheid uit. Met vredelievendheid heeft het niets te maken, integendeel.

Het racisme, dat hij tijdens de bezetting met zo mogelijk nog meer fanatisme aanbeval, zou je de negatieve kant van zijn remedie kunnen noemen. Er was ook een positieve kant, en daar komen we opnieuw het ‘muziekje’ tegen dat wederom veel meer blijkt in te houden dan enkel stijl.

In Les beaux draps (De gebakken peren) uit 1941, zonder noemenswaardige concurrentie Céline’s meest optimistische geschrift, schetst hij zijn ideale samenleving. Getekend door een kleinburgerlijk ‘communisme Labiche’ (iedereen een eigen lapje grond, maximum- en minimumloon, banken en fabrieken genationaliseerd), maar ook door een op het eerste gezicht verbazingwekkend artistiek enthousiasme. ‘Le salut par les beaux-arts’, kraait Céline, het heil door de kunst! ‘Ieder mens met kloppend hart heeft ook zijn lied, zijn persoonlijk muziekje’.

Op school is dat stompzinnig tot zwijgen gebracht, maar in Céline’s utopie zou het weer tot leven worden gewekt, want ‘zonder permanente artistieke creatie, door allen, is er geen duurzame maatschappij mogelijk’. Het leven dat hij de roman had ingeblazen, door de verstarde schrijftaal te injecteren met gesproken emotie, moest ook het moderne bestaan gaan bezielen. Reis naar het einde van de nacht vergeleek hij niet toevallig met een ‘symfonie’. De stijl was hooguit een van de middelen om weer muziek te brengen in het middelmatige, uitgebluste moderne leven.

Het ‘muziekje’ dat Céline had uitgevonden, maakt deel uit van een ambitieus programma van nationale en zelfs raciale regeneratie. De romantische herkomst ervan is moeilijk over het hoofd te zien. In de Europese kunst- en literatuurgeschiedenis wemelt het van dit soort revolutionair-esthetische ambities. Ook de reductie tot louter stijl, nadat de grootse plannen op niets zijn uitgelopen, komen we daar tegen, in de vorm van een ontgoocheld l’art pour l’art. Céline’s defensie na de ondergang van het Derde Rijk waarop hij zijn hoop had gevestigd, past dus eveneens in dit romantische patroon. Meer dan wat ook suggereert dit hoe onzinnig het is in Céline’s geval literatuur en ideeën, stijl en inhoud van elkaar te scheiden. Alles hangt met alles samen, op een vertrouwde romantische manier.

Het probleem Céline

Lost dat ook het probleem Céline op? Nee, in zoverre dat de romantische samenhang geen morele rechtvaardiging betekent voor het raciale antisemitisme dat Céline aanhing. Ja, in zoverre juist deze samenhang laat zien hoe ontoereikend een louter politiek-moralistische benadering van literatuur en kunst kan zijn. De tegenstelling tussen geniale stijl en foute ideeën ontpopt zich als een schijntegenstelling, omdat beide onderling volkomen verweven zijn. Datgene waarom we Céline bewonderen laat zich niet loskoppelen van datgene waarom we hem afwijzen. Met als resultaat een samenhang en gelijktijdigheid van wezenlijk ambigue aard, moeilijk te verenigen met een moralisme dat leeft van het absolute onderscheid tussen goed en kwaad. Juist dat laatste is hier niet mogelijk, zonder alles kapot te maken.

Kapot maken, verbieden, censureren, cancelen, kan natuurlijk altijd. Toch lijkt me, zeker waar het kunst en literatuur betreft, enige terughoudendheid te prefereren. Op grond van hun esthetische autonomie, hun eigen regels en wetten, is er hier namelijk ook een andere uitweg voorhanden. In het probleem Céline zou je een uitdaging kunnen zien om de ambiguïteit nu eens niet op te offeren aan het moralisme, maar haar daarentegen te verdragen en zo ten volle tot je te laten doordringen. Céline’s foute ideeën worden dan beaamd noch verontschuldigd, maar dragen bij aan de – imaginaire – ervaring dat niet alles in de werkelijkheid door de moraal kan worden beslist.

Het zou mij niet verbazen als Céline ons vooral daarom zo blijft fascineren, niet ondanks maar dankzij zijn foute ideeën. Met zijn reële genie en zijn niet minder reële ideeën belichaamt hij een complexiteit die het dualisme van goed en kwaad te buiten gaat. Even indirect als onbedoeld confronteert hij ons, zijn in verlegenheid gebrachte lezers, terwijl we genieten van zijn proza, met wat er complex en ambigu is in de werkelijkheid die we zelf belichamen.