Recensie

Recensie Boeken

Deze nieuwe roman is hét antwoord op ontmenselijkend fabriekswerk

Marie Kessels In haar elfde roman geeft ze opnieuw met groot inlevingsvermogen aan ongehoorden een stem. En nergens overheerst de zieligheid.

Illustratie Paul van der Steen

Varkensvlees en nog eens varkensvlees, overal varkensfilets die ‘gekneed’ moeten worden, door Elzbieta en haar collega’s, op lange dagen, in de kou tegen het bederf – een onophoudelijke stroom, keihard doorwerken is nodig om het vol te kunnen houden. ‘Links van me zwelt de lading nog te kneden filets angstwekkend aan. Hoe hoger het tempo is waarin we de filets wegwerken, des te rekbaarder wordt de tijd.’

Een jonge Poolse vrouw komt naar Nederland en komt te werken aan de lopende band bij vleesverwerkingsbedrijf PerfektKost: dat is de uitgangspositie van Levenshonger, de nieuwe roman van Marie Kessels (1954). Het had het begin van een zielige en sociaal bewogen roman kunnen zijn, maar Levenshonger is dan misschien wel sociaal bewogen, maar ook overweldigend monter. Zoals ze terugkijkt op haar vertrek uit uitzichtloos Poznan, zo staat ze in het leven: ‘Je leeft achter je beschermende muurtje en probeert je voor te stellen wat er zal veranderen als je dat muurtje nu eens eigenhandig kapotramt. En dan neem je een aanloop.’ Strijdbaarheid als levenstaak.

Het verhaal van de drieëntwintigjarige vertelster Elzbieta gaat over haar korte carrière bij PerfektKost (drie maanden houdt ze het vol – de vraag waarom vormt de plot), maar verstrengelt zich ook met de relazen van alle mensen met wie ze zich omringt. Van serveerster Carl die fulmineert over de ‘controlemaatschappij’, tot haar kostganger Jozef, ‘die spot met het mensdom inclusief hemzelf’, en huisgenote en collega Bo. Elzbieta wil ‘meerstemmig zijn’, oftewel ‘leven met alle kanalen open’, zoals Kessels het haar op zeker punt laat zeggen. Dus luistert ze en geeft ze door wat de mensen om haar heen zeggen. Dat doet enigszins denken aan het grensverleggende romandrieluik dat Rachel Cusk in het vorige decennium schreef, waarin de vertelster grotendeels onzichtbaar bleef. Zij was slechts het klankbord voor haar gesprekspartners, die vrijwel alle ruimte opslokten. Een cynisch makend procedé – want degene wiens verhaal dit was, om wie het drááide, waar bleef zij dan?

Kritiek op de machinale arbeid

Tegelijk is het, vooral bij Kessels, een manier om te laten zien hoe iemand bestaat dóór haar omgeving. Aan het eind van Levenshonger legt Elzbieta haar kaarten op tafel: een waarlijk menselijk verhaal toont ‘de geschiedenis van de een verstrengeld in die van de ander. Want pas dan krijg je als mens, als levend wezen, dimensies. Pas dan verliest het beschamende idee dat je hóóguit een kliekje bent op de reusachtige afvalberg van de geschiedenis zijn macht over je’. Ideeën die macht over je hebben en de mens als onooglijk kliekje – daar is Levenshonger het menselijke antwoord op.

Zo past de roman in een rijtje recente kunstwerken die werk centraal stellen, maar in het bijzonder het ontmenselijkende effect van nagenoeg machinale arbeid, zoals Seizoenarbeid van de Duitse Heike Geissler, of Aan de lopende band van de Fransman Joseph Ponthus (en vergeet Chloé Zhao’s film Nomadland niet).

In die context valt aan Kessels’ nieuwe roman, haar elfde boek, de grote menselijkheid op. Dat is in lijn met hoe we Marie Kessels kennen, áls we haar tenminste kennen. Buiten haar romans om manifesteert zij zich nooit als schrijver, al dertig jaar is ze niet beschikbaar voor interviews of optredens, en het enige wat er over haar bekend is, is dat ze werkt (of werkte) bij de stationskiosk in Den Bosch.

Om Kessels zelf draait het niet, in dit oeuvre. Een mooie parallel met Elzbieta’s positie, maar er lijkt ook een literair-politieke stellingname in te ontwaren. Het podium is voor de personages, vaak zij die het maatschappelijk geweld dreigt te vermorzelen, zij die hoogstens een korrel zand in de machine zijn.

Dat klinkt misschien modieus – ongehoorden een stem geven is ‘in’ – en een zekere strijdbaarheid is inderdaad een constante in Kessels’ oeuvre, of het nu een strijd is tegen herrie, in Brullen (2015), tegen de onmacht van een blinde, in Ruw (2009), tegen parkinson in Veldheer Banner (2018). Maar met een overtuigde afwezigheid van zieligheid weerstaat Levenshonger het verwijt van modieusheid, én kiest Kessels met groot inlevingsvermogen voor (dubbelzinnige) menselijkheid, waar ook veel mee te grijnzen valt. Haar personages leven met de blik vooruit. Denk aan ‘die naar bier en varkensvlees geurende man die zeven maanden onterecht had gezeten en de vezeltjes van zijn stoofpot toch zonder bitterheid op de kade had gespuugd’. Denk aan Bo, die haar jeugd mild beschouwt (‘Ik moet het mijn vader nageven dat hij zijn liefde voor mijn moeder en mij zo eerlijk mogelijk heeft proberen te delen met zijn liefde voor vissen’). Nergens overheerst zieligheid, zelfs niet in de beschrijving van Danny, de piepjonge, meestal stomdronken buurjongen, die vooral levenslustige aantrekkelijkheid uitwasemt: ‘Iedereen fantaseerde erover dat van alle geneesmiddelen ter wereld hij het beste zou helpen tegen levensmoe zijn en over de uiterste houdbaarheidsdatum zou raken.’

Wat we ons varkensvlees aandoen, doen we ook mensen aan

Zo portretteert Elzbieta/Kessels wat af, in een boek met uiterst vloeiend proza, toegankelijk en geen moment naar binnen gekeerd. In weerwil van Kessels’ reputatie lezen we hier geen hoogpoëtische taal, hoogstens schiet er door de relazen een scheut poëzie heen, even geestig als ongrijpbaar (‘het dier mens, dat niet wil zien hoeveel bloed er gulpt uit de muiltjes waarin het rondzwiert’). Dat zijn tegelijk scheuten menselijkheid, van de vormgevende auteur die er haar unieke eigenheid in toont en dus gelukkig niet volledig afwezig is. Hoofdzakelijk zet ze zich buitenspel, door de verhalen van anderen voort te laten duren en niet zuinig af te kappen. Zo geeft ze de mensen de ruimte die het leven hen beneemt, toont ze zowel de schrijnende als geestige kanten van hun levens, vaak tegelijkertijd.

Elektriserende seks

Want de monterheid is ook zelfbescherming. ‘Onder het werk kankeren kostte te veel kracht, net als je innerlijk schrap zetten’, noteert Elzbieta. En tijdens hitsige, elektriserende seks op een regenachtige parkeerplaats staat er: ‘Wij wilden niet meer van elkaar dan dit wiegen en liefkozen en vuil spuug oplikken totdat we de tijd vergaten, onszelf vergaten, PerfektKost vergaten.’

Toch schuilt de kracht van Levenshonger niet in vergeten, in gelatenheid of berusting. Het leven in dienst van de vleesverwerking is een rotleven, en hoewel de fabrieksarbeiders misschien ‘te trots zijn om daar ophef over te maken’, is de grens op zeker moment bereikt. ‘Je kunt ook te intiem deel worden van de grote kringloop van leven en dood: de varkens en de mensen, samengebracht in die ene lange verwerkingsketen’, laat Kessels Elzbieta concluderen, met vlijmende scherpte. Wat we ons varkensvlees aandoen, doen we ook mensen aan.

Maar wat kun je daar, als kliekje, als zandkorrel, tegen te beginnen? Hoe te strijden? Het begin is een verheven stem, een gehoord verhaal. Deze roman, in de vorm die hij heeft gekregen met al die verschillende stemmen van al die nu-niet-meer-onooglijke levenshongerigen, is er de dreunende, beklijvende poging toe. Het vertellen over deze mensenlevens vormt een handje zand dat de machine doet knarsen – bij mij in elk geval. Het is de krachtigste sociaal bewogen roman die de Nederlandse literatuur in tijden voortbracht.