Wie was de man die zo makkelijk de deur achter zich dichttrok al die jaren eigenlijk geweest?

Sarah’s zomer De komende weken schrijft Sarah Sluimer over haar zomer. Deze keer: een liefdesverhaal zonder reuring.

Sarah's zomer

Op een dag gaven ze elkaar een kus en trokken direct daarna geschrokken hun monden terug. In de aanraking hadden ze het einde gevoeld, onomstotelijk, als een elektrische schok, of misschien juist als het uitblijven daarvan. Daarna hadden ze gepraat, aan de keukentafel, met hun handen in elkaar verstrengeld. Ze vogelden uit hoe lang ze al verwijderd waren geraakt van elkaar, waarom ze nu pas een gevolg aan de vervreemding gaven en wát dan precies dat grote, onoverkomelijke verschil was waardoor ze na zeven jaar niet meer verder konden. Ik denk dat het lang geleden was dat ze samen zoveel dronken.

Ik weet niet of het hen gered had als ze dat eerder hadden gedaan, maar de gretigheid waarmee ze nu, aan het einde van alles, het glas aan hun mond zetten en struikelden over hun woorden verraadde wat ze hadden gemist.

Verwijten leken ze niet te hebben. Misschien hadden ze er een paar achter hun tong verstopt, maar die lieten ze zitten. Elkaar kwetsen was niet iets waar ze zich de afgelopen jaren in gespecialiseerd hadden en geen van beiden had zin daar nu nog aan te beginnen. Toen de zon opkwam gingen ze samen slapen, met de voorhoofden tegen elkaar.

De weken daarop bleven ze in één huis wonen. Niemand had haast. Ze bleven elegant om elkaar heen bewegen, zonder ook maar een vaasje om te stoten. Het aanrecht was altijd opgeruimd, zoals ze dat gewend waren. Eentje betrok na een poosje de logeerkamer. Hij legde daar steeds meer van zijn spullen neer. Toen deed hij die spullen in tassen. Die tassen nam hij voorzichtig mee naar buiten, zonder met de deuren te slaan. Hij droeg ze de stad door naar zijn nieuwe huis.

Daar verfde hij zijn muren abrikoos, legde een groot kleed op de vloer en bouwde boekenkasten langs alle muren. Hij nam vier minnaars en zat met ieder van hen op zijn dakterras. Hij hoefde niemand te kiezen.

De weken daarop bleven ze in één huis wonen. Niemand had haast

De ander kwam bij hem langs met bloemen. Hij zag de muren, een wijnglas op een nachtkastje en scheurde zachtjes. Zo vlak voor de eindstreep in dit liefdesverhaal zonder reuring kwam het er dan toch nog even van. Waarom had hij niet, waarom nu wel opeens, wie was de man die zo makkelijk de deur achter zich dichttrok al die jaren eigenlijk geweest?

Maar het kleine beetje wroeging sloeg direct dood op de vreugde van de een, stralend tussen zijn boeken. En zo konden ze niets anders dan elkaar gelukwensen. Want dat is liefde.

Inmiddels delen ze een van de minnaars.

En toch vraag ik me af. Helpt lawaai, een schreeuwpartij, een vuist op tafel, tranen die uit ogen springen niet júíst om iemand achter je te laten?

Wat blijft er bewaard van de tijd met elkaar als je zo bescheiden afscheid neemt?

Ik denk dat het antwoord is: eeuwige genegenheid.

Maar daar moet je maar zin in hebben.