Opinie

Voortent

Marcel van Roosmalen

Ik wandelde naar het station. Op de Nieuweweg werd ik aangesproken door een vrouw. Of ik de voortent van de caravan, die zij en haar man wilden laten uitwapperen over een in de voortuin gespannen lijn, even bij de punten wilde vasthouden?

Haar man moest nodig.

Ik nam zijn positie in, hij rende weg.

Ze hadden de voortent behandeld met een speciale spray, waarmee die opnieuw waterdicht was geworden. Fijn dat ik dit even wilde doen, als ze de voortent op de grond zouden leggen ontstond anders een nieuwe kwetsbare plek.

Ze waren naar Drenthe geweest, deden ze nooit meer. Frankrijk, Italië waren veel mooier.

Haar lievelingsland: Kroatië.

„Het is daar ook heel kindvriendelijk.”

Kindvriendelijk was niet het eerste waar ik aan dacht bij Kroatië, maar het kon natuurlijk wel.

„Vorig jaar hebben we daar de hele zomer op pizza’s Margherita geleefd. Dan lagen we bij het zwembad en daar bestelde je dan een pizza. Van die kleintjes. Heerlijk.”

In Drenthe waren geen pizzeria’s.

Wel een snackbar.

„Maar alles valt of staat toch met het weer.”

Daarna: „Met slecht weer is een caravan net een gevangenis. Zeker met een lekkende voortent.”

Ze keek me aan.

Rechte witte tanden, een klikgebit.

Haar man kwam terug van het toilet. Hetzelfde gebit.

Waarom constateerde ik dit?

De tandarts in het vierkante gebouwtje tegenover ons stationnetje was gespecialiseerd in klikgebitten, ik stelde me voor dat ze die samen waren gaan halen. En dat ze daarna op vakantie waren gegaan met een lekkende voortent.

Ik gaf de man de punten van zijn voortent terug.

„En nu wapperen”, zei hij tegen zijn vrouw.

Ze schudden de tent op en neer, net zo lang tot ze niet meer konden.

„Zo doen wij dat”, zei de man. „Heb je ook een caravan?”

Het was de eerste keer dat iemand die vraag aan me stelde. De man zei dat hij het een hele normale vraag vond, hij stelde hem vaak. De ene keer zei iemand ‘ja’, de andere keer ‘nee’. Op de camping in Drenthe zat er ook een tussen die had gezegd: „Nee, ik heb een tent.”

Hij lachte.

Gelukkig had hij alleen een voortent, dat was al ellende genoeg.

Zijn vrouw lachte mee.

„Nou ja”, zei ze, „volgend jaar weer een zomer. Nieuwe ronde, nieuwe kansen.”

De rest van de dag dacht ik dat bij alles. Toen ik de trein miste, toen ik koffie knoeide, toen ik mezelf hoorde haperen op de radio.

„Nieuwe ronde, nieuwe kansen”, en daar dan zo blij mogelijk bij kijken.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.