Talent voor diepe vriendschap

Herinneringen aan een collega Max van Rooy werkte vaak samen met K. Schippers (Gerard Stigter) bij NRC en daarvoor bij het tijdschrift Hollands Diep.

Max van Rooy en K. Schippers.
Max van Rooy en K. Schippers. Foto Maurice Boyer.

De verwondering op peil houden, het simpele adagium is altijd in mijn hoofd blijven klinken in verband met Gerard Stigter. We leerden elkaar kennen in het Amsterdamse kunstenaarscafé Eylders in de tweede helft van de jaren zestig. Ruim een halve eeuw zijn we met elkaar opgetrokken. Of noem je op en af geen optrekken? Flauwekul, ware vriendschap overstijgt op en af. De verwondering op peil houden is nooit meer uit mijn hoofd verdwenen. In de periode tussen 5 november 1975 en 18 juni 1977 was hij er praktisch elke dag. Toen bestond Hollands Diep, het enige echte moet je erbij zeggen; na 43 nummers – het verscheen elke veertien dagen – was het ‘prachtblad’ (Gerard Reve) financieel gevloerd en al dermate legendarisch dat het nadien onder dezelfde titel werd geïmiteerd.

Lees ook Marjoleine de Vos over het schrijven en kijken van K. Schippers: ’t Geheel onttrekt zich aan je gezicht

Van de redactie, die naast mij als hoofdredacteur bestond uit G. Brands, Krik Denekamp, Betty van Garrel en Hans Sleutelaar, was K. Schippers de ongeëvenaarde, onvermoeibare spirituele kracht. En altijd die verrukkelijke lichtheid. Ernstig bezig zijn met zo min mogelijk ernst, dat bond ons. Op een ochtendlijke redactievergadering kon hij verschijnen met een zogenaamde kater en over zijn hoofd een handdoek met daarop een bolhoed gevuld met ijsblokjes. Zo schoof hij aan, met onbewogen gelaatsuitdrukking à la Buster Keaton, net iets te lang aangehouden. Redactievergadering aan gruzelementen. Geen ramp, de volgende coverstory had hij al eerder bedacht.

Hij was de stilzwijgende ideoloog van Hollands Diep, het tijdschrift dat in z’n grenzeloosheid tussen journalistiek en literatuur schatplichtig was aan De Nieuwe Stijl en aan De Haagse Post toen Armando en Sleutelaar er de dienst uitmaakten, met Schippers, Van Garrel en Brands als columnisten. Na het sneuvelen van Hollands Diep verhuisde ik terug naar NRC Handelsblad, waar ik eerder in dienst was, en K. Schippers verhuisde mee. Hij werd medewerker van het Cultureel Supplement en schreef tal van essays en reportages op het snijvlak tussen journalistiek en literatuur.

In de kunsten was Gerard een tomeloze generalist, in vriendschap een fijne specialist. Hij wist dat vriendschap zorgvuldig maatwerk is. Ik weet het nu ook. Een halve eeuw ervaring heeft me geleerd dat onze vriendschap maatwerk betrof van een onbetaalbaar merk.

De laatste keer dat ik hem sprak, verzuchtte hij melancholiek: Brands (Gerard Bron), Henk (J. Bernlef), Betty (van Garrel), en al die anderen: dood. Daarbij maakte hij met uitgespreide handen, de palmen maar boven, en de wenkbrauwen – waar hij veel van had – hoog opgetrokken, een hulpeloos gebaar. À la Stan Laurel.