Opinie

Noodhulp aan Haïti is nodig, indringende bemoeienis niet

Haïti

Commentaar

Arm Haïti. Na de aardbeving van zaterdag, waarbij meer dan 1.400 doden vielen en 4.900 gewonden, trok maandag een tropische storm over het land. De dertigduizend gezinnen die dakloos raakten, de wegen die al onbegaanbaar waren, de hulp die nog niet was gearriveerd; de ramp kan alleen maar groter worden.

Twee grote natuurrampen achter elkaar is voor elk land desastreus. De Haïtianen zijn echter nooit de aardbeving van 2010 te boven gekomen, waarbij naar schatting 200.000 mensen omkwamen en die een deel van de hoofdstad Port-au-Prince vernietigde. Noch de gevolgen van orkaan Matthew, die in 2016 het zuiden van het eiland Hispaniola, waarop Haïti ligt, raakte. Nu komen de rampen op een moment van politieke instabiliteit – ook dat is niet nieuw voor Haïti.

Want de moord op president Jovenel Moïse vorige maand liet een gevaarlijk machtsvacuüm achter. Moïse, verdacht van corruptie, had consequent de weinige staatsrechtelijke instituten die er waren, uitgehold. De hoogste rechter ontsloeg hij, het parlement is buiten werking omdat hij geen verkiezingen uitriep. De senaat telt nog slechts tien leden – die zich stelselmatig hebben verrijkt in een land waar meer dan de helft van de bewoners in armoede leeft, met een bbp van net iets meer dan duizend Amerikaanse dollar per hoofd van de bevolking. The New York Times beschreef de miljoenenvilla van een senator in het Canadese Quebec, met zwembad, wijnkelder en thuisbioscoop. Bij gebrek aan een functionerende overheid, hebben gewapende bendes de macht op straat overgenomen, en die laten zich gelden door ontvoeringen en plunderingen.

Lees ook: Haïti dreigt een Somalië in de Cariben te worden

Haïti heeft geen geluk met zijn leiders. In twee eeuwen heeft het bijna 200 staatsgrepen beleefd, de laatste in 2004. Vanaf eind jaren vijftig voerden Papa Doc en zoon Baby Doc Duvalier drie decennia lang een schrikbewind en vermoordden, verkrachtten en martelden tegenstanders. Priester Jean-Bertrand Aristide, de eerste gekozen president na de dictatuur, bleek corrupt. Net als al zijn opvolgers.

Dat Ariel Henry nu waarnemend premier is, is onder meer te danken aan de steun van de ‘Core Group’ van diplomaten en vertegenwoordigers van de VN, de Organisatie van Amerikaanse Staten en de EU. Maar het buitenland moet oppassen dat steun niet overgaat in blijvende indringende bemoeienis. Dat overkwam Haïti vaker: leiders werden met buitenlandse hulp geparachuteerd of afgezet.

Goedbedoelde miljardensteun levert ook geen structurele oplossing. Na de laatste coup van 2004 en de aardbeving van 2010 werd het land een hulpparadijs gerund door honderden ngo’s en een VN-missie, die en passant een cholera-uitbraak veroorzaakte met 10.000 doden tot gevolg. De internationale hulp verzwakte de Haïtiaanse instituties verder en werkte corruptie in de hand.

Noodhulp na de jongste natuurrampen is natuurlijk noodzakelijk en nodig. Daarna zijn investeringen nodig in plaats van donaties, geld spenderende vakantiegangers in plaats van vrijwilligers. Dat premier Henry aankondigde dat steun van buitenaf welkom is, maar wel gestructureerd en door de Haïtianen gecoördineerd en geprioriteerd, is een positieve ontwikkeling.

Haïti was in 1804 na de VS het tweede land van het westelijk halfrond dat zich onafhankelijk verklaarde. Als eerste zwarte republiek, na een opstand van slaven, werd het symbool voor de vrijheidsdrang. Het lot van Haïti kan na twee eeuwen opnieuw in de handen van de Haïtianen komen te liggen.