Opinie

Leve de mens

Ellen Deckwitz

‘Wat zijn er toch altijd veel mensen in de stad”, mopperde de neef (15) toen hij zaterdagavond thuiskwam. „En dan te bedenken”, zei de zus, „dat dat slechts een fractie is van de hele wereldbevolking.” „Wat heb je nou aan zoveel anderen”, zei hij tegen mij. „Het is zo onpraktisch, zo slecht voor het milieu.”

Ooit was ik ook overdonderd door de gigantische aantallen mensen die er op aarde rondlopen. Ik vond het een tijdlang benauwend, tot ik de roman De Wand (1963) van Marlen Haushofer las. Het verhaal is de XXL-versie van Alleen op de wereld: een vrouw van ergens in de veertig gaat logeren bij familie in de Alpen. Als ze wakker wordt ontdekt ze dat ze alleen is, en dat er in het landschap opeens een ondoordringbare glazen wand staat. Erachter is alles en iedereen dood. Samen met een hond, een kat en een koe probeert ze de dagen door te komen. Ze verbouwt voedsel, gaat op jacht en houdt in de avonduren een dagboek bij. Enerzijds ervaart ze het bestaan zonder anderen als een grote opluchting. Ze hoeft zich niet meer aan te passen, niet meer bang te zijn dat ze buiten de boot valt. Ze had altijd al het gevoel dat ze er niet echt bij hoorde: „…de verveling waaronder ik vaak leed was de verveling van een brave rozenkweker op een congres van autofabrikanten.”

Een wereld zonder mensen is eigenlijk prima te doen, denk je al lezende. Maar De wand is geen lofzang op het eenzame leven. Gaandeweg blijkt hoezeer je anderen nodig hebt. Niet eens zozeer voor de emotionele of sociale behoeften, maar vanuit praktisch oogpunt. Op een zeker moment krijgt de hoofdpersoon bijvoorbeeld kiespijn. Vanaf dat moment „…hult de gedachte aan die zesentwintig tanden en kiezen mij in kille hopeloosheid. Als tijdbommen zitten ze in mijn kaak.” Haushofer was getrouwd met een tandarts, dus die zal zich haarfijn bewust zijn geweest van de ellende die het hebben van een gebit met zich mee kan brengen.

Dat was voor mij een openbaring. Sindsdien, wanneer ik mij door een mensenmassa probeer te anderhalvemeteren, denk ik: er zitten ook tandartsen tussen. Zonder hen kun je op de lange termijn niet leven. En dan heb ik weer even vrede met al het rumoer om mij heen.

Drukte, denk ik dan, is nou eenmaal de prijs voor een hoogontwikkelde samenleving.

Drukte is de prijs voor een pijnloos bestaan.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.