In Down the Road hoeven mensen met het syndroom van Down niet aandoenlijk te zijn

Zap Er zijn meer programma’s die liefdevol aandacht besteden aan mensen met het syndroom van Down, maar die zijn zelden zo goed gemaakt als Down the Road.

Dieter Coppens spreekt Sophie (19) moed in in Down the Road.
Dieter Coppens spreekt Sophie (19) moed in in Down the Road. Beeld BNNVARA

Voor de augustuskijker is er geen ontsnapping: op alle netten is het nog vakantie. Op NPO1 deed de aanbiddelijke bejaardenkaravaan van We zijn er bijna Vlieland aan terwijl Hans Dorrestijn (81) een eiland verderop een goed gesprek had met Paul Haenen in Alleen op een eiland – volgend jaar wil ik dat oertobber Dorrestijn in een kleine moppercamper achter We zijn er bijna aan tuft.

Intussen was op SBS6 de Vlaamse programmamaker Staf Coppens naar Zweden getrokken om met zijn gezin een camping aan een bosmeertje te bestieren. Coppens is een man met ingehouden humor en een neiging tot het plagen van zijn familieleden, maar na een kwartiertje Camping Coppens begrijp je waarom de horrormigraties van Ik vertrek zelden naar Scandinavië leiden. Wie in Zweden een camping overneemt, krijgt geen boktorplagen of instortende bijkeukens, maar treft de zwemvesten op maat gesorteerd aan hun haakjes. „De toiletten zijn hier speciaal ontworpen om ze goed te kunnen poetsen”, zei Coppens blij.

Een echte Mustafa

Gelukkig heeft Coppens een neef, Dieter – die was dinsdag óók op tv. En voor Dieter Coppens viel ik dadelijk als een blok, of preciezer: voor het zeskoppige reisgezelschap waarmee hij door Marokko trekt in het derde seizoen van Down the Road (BNNVARA). Romanticus Jaimie had zich een hemelsblauwe keffiyeh laten aanmeten en noemde zich een dag lang Mustafa. „Ik denk dat Jaimie een beetje verliefd is op Marokko”, constateerde Gitte. Jaimie zelf dagdroomde bij het binnenrijden van een dorpje in de Atlas: „Misschien wordt een mooi knap meisje van hier wel verliefd op me omdat ik deze kleren aan heb. Ik voel me een echte Mustafa.”

Er zijn meer programma’s die liefdevol aandacht besteden aan mensen met het syndroom van Down, maar die zijn zelden zo goed gemaakt als Down the Road. Deels is die kwaliteit te danken aan Coppens. Hij neemt mensen urenlang bij de hand tijdens een enge bergwandeling, maar doet ook aan zachtmoedig plagen – een Coppenstrekje.

Ook laat hij zijn reizigers kleine grenzen verleggen, zoals in het bergrestaurant waar gasten doorgaans met de handen eten. „Wij zijn Belgen, wij eten met mes en vork”, klinkt het resoluut. Maar Coppens trekt de twijfelaars over de streep en maakt zich vrolijk wanneer de stuurse Peter het bakje met rode saus abusievelijk voor een vingerkom aanziet. „Fout gedacht hè, man.” Later krijgt de reisleider het zelf op zijn bord, wanneer hij Sophie uitlegt dat een muilezel een kruising tussen een paard en een ezel is. „Net als jij dan!” zegt ze dadelijk.

Romeo en Julia

Sophie is toch al een scherp commentator. „Jaimie speelt altijd de held van het verhaal”, zegt ze als hij zich opwerpt om het op een patio vol kippen gevallen leesboek van Gitte terug te bezorgen, wat geen sinecure is omdat onduidelijk is hoe je op de binnenplaats komt. Jaimie besluit een kip te achtervolgen. Twee oudere Marokkanen kijken verbaasd toe, draaien zich om en lopen door. Jaimie, inmiddels minder verliefd op hun reisbestemming, vloekt. Als het boekje uiteindelijk weer bij Gitte is bezorgd, blikt hij terug op het avontuur: „Het lijkt op Romeo en Julia.”

Zo’n observatie laat zien wat Down the Road speciaal maakt. De registratie van de grote en kleine avonturen is sober. Er wordt niet geprobeerd om met een gezwollen voiceover of andere dramatiseringen de belevenissen te ‘vertalen’ naar de wereld van een publiek zonder het syndroom van Down. Niemand hoeft hier aandoenlijk te zijn. In plaats daarvan probeert Coppens met zijn makers weer te geven hoe Sophie, Jaimie en de anderen hun reis zelf beleven – waardoor de kijker het gevoel krijgt er een beetje bij te mogen horen.