Reportage

Het Rijksmuseum gaat samenwonen in Amersfoort

Depot CollectieCentrum Nederland Volgende maand opent in Amersfoort CollectieCentrum Nederland (CC NL), het grootste kunstpakhuis van Nederland. NRC volgde sinds vorig jaar de ‘inhuizing’ van dit nieuwe depotgebouw voor vier rijkscollecties: Rijksmuseum, Openluchtmuseum, Paleis Het Loo en Rijksdienst Cultureel Erfgoed.

Tarzan wierp zijn schaduw ver vooruit. Lang voordat minister Ingrid van Engelshoven op 14 juni 2018 in Amersfoort de eerste paal sloeg voor CollectieCentrum Nederland (CC NL) was Tarzan al onderwerp van gesprek. Hoe kon deze ruim 7.000 kilo zware stoomlocomobiel op verantwoorde wijze een plekje krijgen in het nieuwe, gezamenlijke depotgebouw van het Rijksmuseum, het Nederlands Openluchtmuseum, Paleis Het Loo en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed? De architecten van het toekomstige depotgebouw hielden bij de constructie van het laaddok en de beganegrondvloer rekening met de loodzware stoommachine. En de verantwoordelijke verhuizers stelden alvast een draaiboek op voor het transport.

7 mei 2021 was het Tarzan-dag, de test tussen theorie en praktijk. De verhuizers hoefden het pronkstuk van het Openluchtmuseum slechts 8,5 kilometer te vervoeren; Tarzan stond namelijk al een tijdje opgeslagen bij een transportbedrijf in Amersfoort.

De kunsttransporteur die de ‘inhuizing’ van CC NL vrijwel volledig voor zijn rekening nam – Kortmann Art Packers & Shippers uit Hoofddorp – had de hulp ingeroepen van G.L. de Haan Transport uit Nijkerk, een in exceptionele transporten gespecialiseerde firma. Met een lier werd Tarzan op een heftrucktrailer getrokken en naar het depot gereden, een klusje dat slechts 21 minuten vergde.

De laatste 70 meter naar de beoogde standplaats, die vormden de echte test: zouden het laaddok en de vloer het houden? Met een gehuurde zware heftruck trokken de transporteurs Tarzan voorzichtig naar zijn plek. Om het gewicht te verdelen gebeurde dat over een loper van kunststofplaten; op de standplaats lagen staalplaten klaar.

Alles verliep zoals voorzien, zegt Frans Kortmann, directeur van de kunsttransporteur, met een lach. „Schilderijtjes van een meter bij een meter van A naar B vervoeren, dat kunnen we uiteraard goed. Maar klussen als Tarzan, dat zijn de krenten in de pap; hoe ingewikkelder een opdracht, hoe mooier we het vinden.”

Het nieuwe CollectieCentrum Nederland langs de A28 bij Amersfoort Vathorst.
Foto Simon Lenskens
Schilderijen in depot bij CollectieCentrum Nederland.
Foto Simon Lenskens

869 transporten

De inhuizing van het grootste kunstpakhuis van Nederland („Het fysieke geheugen van Nederland” luidt de slogan) stelde de verhuizers voor genoeg uitdagingen. Vanuit de oude depots van de vier partners van het nieuwe collectiecentrum moesten een half miljoen objecten naar Amersfoort verhuizen. Dat gebeurde met in totaal 869 transporten met grote vrachtwagens (meestal met aanhanger). Vele ritten met kostbare schilderijen, met oude munten, penningen en sieraden, met breekbare vazen verpakt in kisten met kussens met piepschuimballetjes en papierproppen. Maar ook met objecten die door hun grote formaat of kwetsbare conditie voor hoofdbrekens zorgden. Zoals antieke koetsen, een meer dan honderd jaar oud dansorgel met de afmetingen van een forse camper, en diverse megaschilderijen van Nachtwacht-formaat, of groter.

Neem het eerste object dat 10 juni vorig jaar, kort na de oplevering van het depot, werd verhuisd: een vroeg achttiende-eeuws portret van de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam, een schilderij uit de collectie van het Rijksmuseum. Dit bijna vierkante, ruim 17 vierkante meter grote doek, paste in geen enkele vrachtwagen. Verpakt in een transportframe, omwikkeld met twee lagen plastic, zijn de regenten per dieplader naar het depot vervoerd. Daar staan ze nu tegen een buitenmuur, omringd door allerhande handkarren en rijtuigen.

De verhuizers verheugden zich ook op het transport van een oude SRV-wagen uit de collectie van het Openluchtmuseum, vertelt Kortmann. Maar die supermarkt-op-wielen bleek bij de inventarisatie voorafgaand aan de verhuizing in zo’n slechte en weinig originele staat te verkeren, dat het museum hem conform de afstotingsprocedures voor museale objecten heeft laten vernietigen.

Voor de opslag van kunst was het Rijksmuseum van architect Pierre Cuypers een ramp

Wim Hoeben

Renaissancekasteel

CC NL is een gezamenlijk initiatief van Rijksmuseum Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Tot 2000 sloeg het museum niet-tentoongestelde objecten vooral op in het museum. Dat gebeurde in tientallen ruimtes verspreid door het gebouw die daar feitelijk nooit voor waren bedoeld. „Voor de opslag van kunst was het renaissancekasteel van architect Pierre Cuypers een ramp”, zegt Wim Hoeben, al 35 jaar werkzaam bij het museum en nu de locatiemanager van CC NL.

De vele depotruimtes in het ‘Rijks’ barstten op een zeker moment uit hun voegen. Niet alleen groeide de collectie enorm, ook het veranderde inzicht over presentatie (van heel veel tonen naar een meer esthetische opstelling met minder stukken) droeg daaraan bij. Toen het museum in 2003 voor vele jaren zou sluiten vanwege een ingrijpende restauratie en verbouwing maakte dat de noodzaak van een meer professionele opslag van depotstukken manifest.

Het eerste idee, om de collectie ondergronds op te slaan, werd al snel losgelaten ten faveure van het plan om buiten de stad een tijdelijk depot te zoeken. De keuze viel op de leegstaande euromuntenopslag langs de A6 in Lelystad, een groot en goed beveiligd pand met de uitstraling van een strafinrichting: omringd door een dubbele rij hekken met prikkeldraad. Daar zouden de niet-tentoongestelde kunstschatten van het Rijk voor hooguit vijf jaar bewaard worden. Een misrekening: uiteindelijk zou het tijdelijke depot in de polder achttien jaar lang in gebruik blijven.

Opslag depotstukken in CollectieCentrum Nederland met het enorme schilderij De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam (1729) van Cornelis Troost.
Foto Simon Lenskens
Koningin Wilhelmina op een tegeltableau en andere collectiestukken van Paleis Het Loo in CollectieCentrum Nederland.
Foto Simon Lenskens

Duurzaam depot

Het nadenken over een nieuw depotgebouw begon in 2011, vlak voor de heropening van het Rijksmuseum. Moest het een bergplaats of een educatief centrum worden? Aan wat voor ondersteunende diensten was behoefte? Hoeveel transporten zouden er naar verwachting plaatsvinden? Belangrijke vragen, want een bergplaats met weinig bruikleenverkeer vereist immers geen centrale plek, en kan op een goedkope, extern gelegen locatie verrijzen.

De discussies resulteerden in een programma van eisen voor wat toen nog het Nationaal Duurzaam Depot heette. Het depot in Lelystad moest in de zomer gekoeld en ’s winters verwarmd worden. Continu gas verstoken om het nationaal erfgoed te bewaren, van die gekkigheid wilde het museum af, verduidelijkt locatiemanager Wim Hoeben. Duurzaamheid stond bovenaan het wensenlijstje.

Het gedroomde depot moest daarnaast ontvangstmogelijkheden krijgen voor studenten en onderzoekers en dus een verwelkomend, goed bereikbaar gebouw worden. Een depot met vele ondersteunende faciliteiten: ateliers voor restauratie en kunsthistorisch onderzoek, projectruimtes voor bijvoorbeeld proefopstellingen van tentoonstellingen, een fotostudio, röntgenruimte, voorzieningen voor quarantaine, pestbestrijding en ontsmetting, en werkplekken voor circa 45 medewerkers. Vanzelfsprekend moest het gebouw ook over voldoende goedbeveiligde depotruimtes beschikken.

Al gauw was de gedachte opgekomen dat een gezamenlijk depot met meer partners grote synergievoordelen zou bieden en bovendien de mobiliteit van collecties kon bevorderen. Het Rijksmuseum en de Rijksdienst Cultureel Erfgoed vonden die metgezellen in het Openluchtmuseum en Paleis Het Loo, die respectievelijk in 2015 en 2016 aanhaakten. Vier min of meer gelijkwaardige instellingen met een rijkscollectie. Instellingen bovendien die zich alle behielpen met depots verspreid over diverse locaties die niet voldeden aan de hedendaagse eisen van collectiebeheer.

Neem het Openluchtmuseum, dat de geschiedenis van het alledaagse leven van de afgelopen tweehonderd jaar toont aan de hand van gebruiksvoorwerpen. De depotstukken stonden op vier plekken opgeslagen, waaronder een grote bunker uit de Tweede Wereldoorlog.

Mijn grote angst is dat we dingen op een verkeerde plek neerzetten

Wim Hoeben

Wadi’s en vossen

Zo naargeestig en naar binnen gekeerd als de oude depots oogden, zo’n vriendelijke indruk wekt het nieuwe CC NL. Op een zonnige zomerdag eind juni bloeiden vele bloemen rond het gloednieuwe collectiecentrum, dat omsloten wordt met groen, water en een vijftien meter brede drassige zone. Deze zogeheten ‘wadi’ moet helpen het depot tot een vrijwel onneembare hindernis te maken voor slechtwillenden. Eenden, hazen, konijnen en vossen voelen zich op het terrein thuis, zeggen de medewerkers.

Het collectiecentrum ligt op een voor de vier betrokken instellingen centrale plek: naast de A28 in Amersfoort, pal bij NS-Station Vathorst, en aan de rand van een woonwijk. Het gebouw is bijna energieneutraal. Het dak staat vol zonnepanelen, en door goede isolatie en door kou in de bodem op te slaan kan het depot, mede dankzij muren van kalksteen, als een mergelgrot worden gekoeld. Hemelwater komt in spaarbekkens terecht, zegt Hoeben. „Als in Amersfoort 5 millimeter regen valt hebben wij weer 60.000 liter water om de toiletten door te spoelen.”

Barcodes

Aan de inhuizing van CC NL is een jarenlange voorbereiding voorafgegaan. De oude depots van de vier partners zijn eerst geïnventariseerd. Alle objecten zijn gecontroleerd, opgemeten, schoongemaakt, gefotografeerd en voorzien van een barcode. Op basis van die informatie is een nieuw en uniform systeem voor standplaatsbeheer ontwikkeld. Locatiemanager Hoeben: „Albert Heijn werkt al sinds 1977 met barcodes. Wij zijn er nu mee begonnen. Mijn grote angst is dat we dingen op een verkeerde plek neerzetten en dat het vervolgens onvindbaar is. We noteren niks meer in blocnotes. Ieder object is voorzien van een barcode, en elke locatie in het gebouw en elke vrachtwagen of welke plek ook krijgt eveneens een code. Te allen tijde weten we zo waar ieder object is.”

Om het depot zo efficiënt en logisch mogelijk in te richten is ervoor gekozen de collecties van de vier partners niet afzonderlijk maar gemengd te bewaren. Dat gebeurt in verschillende depotruimtes, verdeeld over ruim 35.000 standplaatsen. De objecten zijn geordend op basis van objectgroep, formaat, benodigde klimaatomstandigheden en type opbergmiddel. Dus alle schilderijen bij elkaar, net als de vazen en al het goud en zilver.

Om samenstellers van tentoonstellingen en onderzoekers te plezieren zijn de objecten zoveel mogelijk in chronologische volgorde geplaatst. Zo is de ontwikkeling van het type object goed zichtbaar.

Depots in het CollectieCentrum NL in Amersfoort. Met rechts stoomlocomobiel Tarzan.
Foto Simon Lenskens
Depot van schilderijen in CollectieCentrum Nederland .
Foto Simon Lenskens

Corona

Cathy Jager coördineerde de inhuizing van CC NL. Als afdelingshoofd bij het Rijksmuseum verantwoordelijk voor het collectie- en tentoonstellingsmanagement deed zij de nodige ervaring op met het verkeer van objecten. Acht jaar geleden leidde zij bovendien de inhuizing van het verbouwde Rijksmuseum.

De voorbereiding voor CC NL duurden langer dan de verhuizingen zelf, zegt Jager, namelijk zo’n anderhalf jaar. Nadat de collecties van de vier instellingen in kaart waren gebracht, kon zij de transporten voorbereiden. Haar oogmerk was om alles zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. In de oude depots moesten de spullen bij elkaar worden gezocht die in het depot bij elkaar zouden worden opgeslagen, en dat ook nog in een bepaalde volgorde. Voorbeeld: schilderijen zijn op genre en datering aangeleverd. „Zie het als een ui afpellen”, beschrijft Jager het proces.

In de voorbereiding toont zich volgens de verhuiscoördinator de meester. „Het liefst wil je zo’n inhuizing beginnen in een leeg en kant-en-klaar gebouw en met een stop op bruikleenverkeer, zodat je ongestoord aan de slag kunt.” De praktijk is helaas weerbarstiger, zegt ze. Bouwwerkzaamheden lopen uit, de voorbereiding van tentoonstellingen gaat door, en ’s winters kan er opeens een code rood zijn die de planning verstoort.

Voor vele tegenslagen had de coördinator noodscenario’s in petto. Alleen niet voor de uitbraak van een wereldwijde pandemie, twee maanden voor het eerste geplande transport. Toen het Rijksmuseum op 12 maart vorig jaar verplicht dicht moest, voelde ze zich in haar werkkamer in de villa pal naast het museum al snel als een luchtverkeersleider, met op haar bureau diverse schermen en telefoons. Jager: „Ik had nog nooit aan een Teams-vergadering deelgenomen. Opeens zag ik al die vertrouwde gezichten van het verhuisteam op een scherm, met op de achtergrond vaak huiselijke situaties. Na de koude rillingen die de lockdown me bezorgde, gaf me dat vertrouwen. Zo gaan we het doen, concludeerde ik toen.”

Hugo de Jonge had een routekaart. Nou, wij ook!

Cathy Jager coördinator inhuizing

Routekaart

Vertragen was geen optie; de huurcontracten van de oude depots liepen af. Iedere donderdag besprak Jager de weekagenda tijdens de zogenoemde DOS-vergaderingen: de Donderdag Online Stand-ups. Dat waren korte, hooguit een kwartier durende Teamsvergaderingen met de verhuiscoördinatoren van de vier instellingen, het team in het nieuwe depotgebouw en de verhuizers.

In korte tijd groeide Jager uit tot een Covid-19-specialist. Noodgedwongen verschoof het accent van zorg voor de collectie naar zorg voor de verhuismedewerkers. Er kwamen belijningen op de werkvloer, regels voor afstandhouden, gereedschappen mochten niet meer gedeeld worden, en werknemers met gezondheidsklachten konden direct terecht bij een testbureau. Jager: „Hugo de Jonge had een routekaart. Nou, wij ook!”

Corona was niet alleen een tegenvaller. Omdat musea lange tijd verplicht dicht moesten hoefden de verhuizers minder rekening te houden met bruikleenverkeer. En kunsttransporteur Frans Kortmann besefte na de lockdown nog eens hoezeer hij bofte met zijn monsterklus. Zijn reguliere opdrachtgevers hadden hem even niet nodig. Maar dankzij CC NL had zijn firma het in een voor vele bedrijven beroerde tijd ouderwets druk.

Op het hoogtepunt van de tweede golf met coronabesmettingen, tegen Kerst, moest Jager de inhuizing voor twee weken stilleggen om de afstandsregels te herijken. Maar die pauze werd later ingelopen en uiteindelijk zou de pandemie slechts een te verwaarlozen vertraging veroorzaken.

Opslag depotstukken in CollectieCentrum Nederland .
Foto Simon Lenskens
Een ijskar van de familie De Lorenzo uit de jaren zestig. De familie drijft de oudste ambachtelijke ijssalon van Nederland in Utrecht. Collectie Openluchtmuseum.
Foto Simon Lenskens

Aan elkaar wennen

Twee weken nadat hij de sleutel had gekregen, gaf Wim Hoeben juni vorig jaar een rondleiding door CC NL. Het gebouw rook nog naar verf en pasgelegd tapijt, en het kantoor van de locatiemanager wekte nog een maagdelijke indruk. De vier organisaties die het depotgebouw delen moesten nog aan elkaar wennen, zegt Hoeben. „Het is alsof je drie mensen op straat aanwijst en zegt: we gaan met elkaar in één huis wonen. Opeens moet je met vreemden de keuken en de badkamer delen.”

Depotmedewerkers van de verschillende instellingen moeten aan elkaars spullen zitten. Dat vraagt om vertrouwen, legt Hoeben uit. En terwijl de nieuwe collega’s probeerden uit te vinden hoe dat vertrouwen te winnen, kwamen de verhuiswagens van Kortmann maar voortdurend nieuwe depotstukken bezorgen.

„Je wilt geen bloedgroepen”, zegt Hoeben, wijzend op collega’s met T-shirts van het Rijks en het Openluchtmuseum. „Kijk, ontwerpster Irma Boom heeft al koffiemokken gemaakt met het logo van CC NL, nu nog T-shirts.”

Even later wijst Hoeben op de gigantische schuifdeuren die het middendeel met de restauratieateliers en de andere functionele ruimtes scheidt van de collectieopslag. Schuifdeuren met een gewicht van duizenden kilo’s. De opslagen zijn over vier etages gecompartimenteerd; het kleinste depot is de extra beveiligde kamer met de gouden en zilveren sieraden.

In het depot is het fris, 14 tot 16 graden Celsius. Alleen op de bovenste etage, bij de schilderijen, is het vanwege de vele onderzoekers die daar komen iets warmer: 18 tot 23 graden. In het depot wordt overigens niet op temperatuur gestuurd, legt Hoeben uit, maar op vochtgehalte. Te droge opslag zorgt onder andere voor scheurvorming, te veel vocht voor schimmels.

In het depot in de Diogenesbunker was het vaak zo koud dat ik rondliep met drie truien over elkaar heen

Godelieve Prins floormanager verhuizing

Blitzmädel

Door de coronavoorschriften waren journalisten na de eerste lockdown lange tijd niet welkom in de depots. Pas half mei van dit jaar gingen de deuren weer open. Tijd om alsnog een kijkje te nemen in Schaarsbergen en Lelystad, bij oude depots van het Openluchtmuseum en het Rijksmuseum.

De opslag van het Openluchtmuseum ligt verscholen in een bos. Een massief, zestien meter hoog gebouw met drie tot vier meter dikke wanden van beton, de Diogenesbunker. De Duitsers gebruikten het bouwwerk vanaf 1943 als commandocentrum voor de luchtverdediging van Nederland en delen van België en Duitsland. Luchtnachrichtenhelferinnen, ook wel ‘Blitzmädel’, projecteerden op een grote kaart in het verbindingscentrum de vliegbewegingen van vijandelijke toestellen, zodat de Duitse oorlogsvliegtuigen konden worden aangestuurd. In de ruimte waar dat gebeurde stonden de afgelopen jaren onder andere oude landbouwmachines.

Als ‘floormanager verhuizing’ leidde Godelieve Prins het transport van de 135.000 objecten die in de betonkolos lagen opgeslagen, van bidprentjes en Douwe Egberts-koffiepunten tot papierschepbakken en een bietenrooimachine. Een klus waar ze met soms dertig collega’s bijna vijf jaar lang haar handen vol aan had.

Bij de rondleiding kon Prins alleen nog de lege kasten en depotruimtes laten zien; het laatste transport vanuit de bunker was een paar dagen eerder vertrokken. Het vrijwel raamloze bouwwerk maakt een desolate indruk; een groter contrast met het lichte CC NL is nauwelijks denkbaar. Toch zei Godelieve Prins de bunker te gaan missen. „Niet het gebouw zelf. Het was hier vaak zo koud dat ik rondliep met drie truien over elkaar heen. Maar wel het plezier dat we hier de afgelopen jaren met elkaar hebben gehad. De inventarisatie en daarna de verhuizing was een mooie klus.”

Negentiende- en twintigste-eeuwse fietsen uit de verzameling van het Nederlands Openluchtmuseum in CollectieCentrum Nederland .
Foto Simon Lenskens
Antwerps dansorgel De Blauwe Mortier (1913), dat iedere veertien dagen even moet spelen om te voorkomen dat de balgen uitdrogen. Collectie Openluchtmuseum
Foto Simon Lenskens

Depot Lelystad

Op de Albert Einsteinweg in Lelystad, in de voormalige opslag van De Nederlandsche Bank van waaruit in 2002 de euro is verspreid, waren ze half mei bezig met de laatste van de 233 geplande transporten. Op een tafel in de kantine lagen een Pim-pam-petspel en een oude Donald Duck, op een whiteboard stond de door Cathy Jager opgegeven weekagenda genoteerd. Tamar Bos, een van de drie verhuiscoördinatoren in Lelystad, laat zien hoe de medewerkers van Kortmann in de inpakruimte met stickers op de vloer de binnenmaten van de verhuiswagen hebben uitgezet. Een handigheidje om transporten goed te kunnen voorbereiden.

Bos noemt de verhuizing „een onvergetelijk en ook spannend proces”. Met soms twintig collega’s werkte ze vijf jaar aan het onderzoeken en fotograferen en het registreren en inpakken van de 75.000 in Lelystad opgeslagen kunstobjecten. Kort voor het laatste transport voelde ze opeens hoe zwaar de opdracht was: „Ik merk nu pas hoe moe ik ben.”

Verhuiscoördinator Cathy Jager zei begin augustus, na het laatste transport, iets vergelijkbaars. Lange tijd werkte ze zeven dagen per week, door de bijkomende verantwoordelijkheid voor de gezondheid van de medewerkers voelde het extra zwaar. Ze besloot een voettocht te gaan maken, vanuit Luca naar Rome: „Na een jaar continu aanstaan heb ik behoefte aan verstilling.”

Wat de museummedewerkers als zwaar ervoeren, voelde voor de verhuizers van Kortmann heel anders aan, zegt directeur Frans Kortmann. „Onze werknemers zijn gewend aan fysiek zware arbeid en rare werktijden. Regelmatig zijn ze ook lang van huis. Opeens hebben ze een jaar lang van acht tot vijf gewerkt en waren ze ’s avonds thuis. Velen hebben de inhuizing van CC NL als heel prettig ervaren.”

Het staartje

In CC NL stonden de depotruimtes op 16 juni behoorlijk vol. „We zijn bezig met het staartje van de verhuizing”, zegt Wim Hoeben. Volgens de locatiemanager is het depot voor de komende vijftig jaar groot genoeg. Wat betreft volume kan de opslag nog wel wat aan, en door herinrichting (lees: iets minder brede gangen) kan de capaciteit verruimd worden.

Ruim drie jaar nadat ze de eerste paal sloeg, zal demissionair minister Van Engelshoven (Cultuur, D66) het collectiecentrum op 13 september openen. Daarna begint het echte avontuur, stelt Hoeben. Dan moet CC NL in de praktijk gaan functioneren als collectiecentrum. Dan moeten de medewerkers van de vier instellingen zich een team tonen. Een echte test, zegt hij, wordt het schoonmaken van de depotruimtes: 25.000 vierkante meter, vier voetbalvelden vol vaak kwetsbare objecten. Eens in de drie jaar moet daar gestoft worden. Dan zal blijken, zegt de locatiemanager met een grijns, of de medewerkers afkomstig van de ene instelling met evenveel enthousiasme de collecties van andere partijen schoonmaken.

Beeld dwarsdoorsnede van het CollectieCentrum Nederland: cepezed/CC NL.
Foto’s depotstukken in CollectieCentrum Nederland: Simon Lenskens.