De reïntegratiecoach die ook kanker had, kan beter begeleiden: ‘Hij snapt het als ik écht moe ben’

Reïntegratie Werknemers die kanker hebben gehad of een herseninfarct, voelen zich beter geholpen bij een gespecialiseerd reïntegratiebureau dan bij de bedrijfsarts. Maar, waarschuwt hoogleraar Van Bennekom: „Het is ook gewoon een markt waar geld te verdienen valt.”

Ruud van den Broek werkt bij de Protestantse Kerk Nederland.
Ruud van den Broek werkt bij de Protestantse Kerk Nederland. Foto Daniel Niessen

Vroeger had Ruud van den Broek (59) geen agenda nodig. Hij wist precies welke afspraken hij op een dag had. Ook hoefde hij nooit zijn taken op een lijstje te schrijven – dat zat allemaal in zijn hoofd. Maar na zijn zware herseninfarct, in 2017, waren dat soort automatismen allemaal verdwenen. „Alsof mijn hersens waren teruggezet naar de fabrieksinstellingen, zo voelde het.”

Dus toen Van den Broek na een half jaar revalideren weer aan de slag ging bij zijn werkgever, de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), waar hij leiding gaf aan het shared service center met tachtig man personeel, moest dat zéér gestructureerd. Met lijstjes, post-its en weekplanningen. „Daarmee heeft Jantien van Boogh me heel goed geholpen”, vertelt Van den Broek. Haar bureau is gespecialiseerd in arbeidsreïntegratie voor mensen met hersenletsel. „Ik was helemaal niet gewend aan al die schema’s. Maar Jantien, mijn coach, zei: doe het nou maar. Dat kost minder energie en daardoor kun je weer stappen maken. Achteraf ben ik blij dat ze daar op heeft gehamerd, want dat bleek ook het geval.”

Lees ook over reïntegratie op de werkvloer: Weer werken na kanker? Dat gaat niet altijd makkelijk

Complex proces

Als je een herseninfarct krijgt, een burn-out of anderszins ziek wordt, volgt vaak na enige tijd een reïntegratietraject. Daarin moet de werknemer er met zijn werkgever achter zien te komen of en hoe de betrokkene in de toekomst kan blijven werken. Dat kan een complex proces zijn, met deelname van een behandelend arts, bedrijfsarts, UWV, zorgverzekering, baas én werknemer – ieder met zijn eigen belangen.

Om die puzzel uit handen te geven, sluiten bedrijven vaak contracten af met reïntegratiebureaus. Dat gebeurt vooral sinds de overheid in 2002 de Wet verbetering poortwachter instelde, om de instroom in de Wet arbeidsongeschiktheid (WAO) te laten afnemen. „Vanaf toen zijn die bureaus als paddestoelen uit de grond geschoten”, zegt Coen van Bennekom, bijzonder hoogleraar revalidatie en arbeid aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast werkt hij vier dagen in de week als revalidatiearts, gespecialiseerd in niet-aangeboren hersenletsel bij Noord-Hollands revalidatiecentrum Heliomare.

Reguliere reïntegratiebureaus of bedrijfsartsen weten van alles een beetje

Dat reïntegratiebureaus zich specialiseren in onder meer begeleiding van mensen met kanker, hersenletsel, een burn-out of chronische vermoeidheid, is iets van de laatste paar jaar, ziet Van Bennekom. Patiënten zijn vaak gebaat bij deze bureaus, zeggen ze; ze geven aan zich bij deze begeleiding beter gehoord en erkend te voelen dan bij een regulier reïntegratiebureau of de bedrijfsarts, die als generalisten van alles een beetje moeten weten.

Madelon Tazelaar.

Foto Daniel Niessen

Dat ervaarde ook Madelon Tazelaar (47). Ze werkt als zorgbemiddelaar bij een grote zorgorganisatie in Gouda. Begin 2019 werd ze gediagnosticeerd met uitgezaaide borstkanker. In haar zoektocht naar informatie kwam ze een besloten Facebookgroep tegen over werken en kanker. „Daarin las ik dat veel mensen stress hadden rond hun reïntegratie; vooral omdat de bedrijfsarts ze niet begreep. Anderen reageerden dat zij betere ervaringen hadden bij een gespecialiseerd bureau. Ik was vanuit mijn werk al aangemeld bij een regulier reïntegratiebureau, maar ben toen op eigen initiatief geswitcht naar Stap Nu.”

De oprichter van Stap Nu kreeg zelf kanker en richtte daarna haar bedrijf op. Ook nagenoeg alle coaches van het bedrijf hebben of hadden kanker of een chronische ziekte. Zo ook de coach van Madelon Tazelaar. „Hij snapt me. Hij snapt dat, als ik moe ben, ik dat niet zeg om iemand te bedonderen, maar dat ik écht moe ben. Ook kan hij me afremmen als ik over mijn grenzen heen ga; ik heb er nogal een handje van de schijn op te houden.” Ze voelt al met al veel begrip voor haar specifieke situatie van iemand die ook kanker heeft gehad. „Ik denk dat ik dat bij een regulier reïntegratiebureau niet zou hebben gehad.”

Ook gewoon een markt

Is het een goede zaak dat er meer van dit soort gespecialiseerde bureaus komen? Is het niet nóg een instantie op de lange lijst waar je mee te maken krijgt als je moet reïntegreren? Van Bennekom: „Ik denk dat het goed is dat er mensen zijn die kennis hebben van jouw situatie – en of het dan een heel bureau moet zijn of gespecialiseerde mensen binnen een regulier bureau, maakt me niet zoveel uit.”

Tegelijk, zegt hij, is het ook gewoon een markt waar geld te verdienen valt. „Vanuit UWV en werkgevers is er vaak best budget voor die reïntegratietrajecten. Dus daar duiken goede bureaus op, maar ook slechte.”

Patiënten lopen op de toppen van hun tenen

Coen van Bennekom bijzonder hoogleraar revalidatie en arbeid

Het werkelijke probleem is niet dat er zoveel reïntegratiebureaus zijn, maar dat er te weinig specifieke kennis is bij UWV-, revalidatie- en bedrijfsartsen, vindt Van Bennekom. Niet-aangeboren hersenletsel heeft veel onzichtbare gevolgen, zoals vermoeidheid en trager informatie verwerken. Het in kaart brengen van deze problemen en het werk hierop afstemmen is complex. Het wordt lastig als de kennis van de bedrijfsarts hier tekortschiet.

Een extra obstakel is dat patiënten soms geen goed inzicht in hun ziekte hebben, niet in de gaten hebben wat hersenletsel met ze doet. In de praktijk worden zij daarom vaak te laag of te hoog ingeschat.

Van Bennekom: „Patiënten willen natuurlijk graag dat reïntegreren lukt, dus lopen ze op de toppen van hun tenen. Dan hoeft er maar een wisseling van een computersysteem of leidinggevende te zijn en ze lopen ze vast. Ze hebben maar weinig cognitieve reserves.”

Om kennis over hersenletsel te verspreiden, houdt Van Bennekom praatjes voor bedrijfsartsen in opleiding en schreef hij mee aan een verbeterde richtlijn voor medisch specialisten. Ook ondertekende hij met andere organisaties een notitie aan het UWV met punten waar op te letten bij patiënten met niet-aangeboren hersenletsel. Er gebeurt dus wel iets aan, zegt hij.

Lees ook over reïntegreren na Covid: ‘De baas snapt wel dat iemand niet na twee dagen weer fris en fruitig gaat werken’

60 procent energie

Ruud van den Broek heeft intussen zijn reïntegratie afgerond. In zijn nieuwe functie bij de PKN coördineert hij een team van negen mensen: hij geeft dus nog steeds leiding, maar aan veel minder mensen en houdt zich met minder onderwerpen bezig. Dit werk kan hij in 22 uur doen; het maximum van wat hij aankan. „Ik zou zeggen dat ik fysiek weer op 97 procent zit, maar mijn energie is veel lager dan vroeger: zo’n 60 procent. Aan het eind van de middag moet ik twee uur slapen, terwijl ik vroeger om 7 uur opstond en fluitend de dag doorkwam. Ik ben blij met wat ik nu kan, hoor; ik was een wonder qua herstel, volgens de revalidatiekliniek. Maar dat er altijd die latente vermoeidheid is, blijf ik toch pittig vinden.”

Met hulp van haar coach is ook Madelon Tazelaar er met haar werkgever uitgekomen. Vanwege verminderde energie en pijnklachten door de medicijnen werkt ze nu de helft van haar oorspronkelijk aantal uren: 14 in plaats van 28 uur, verdeeld over drie dagen. Tazelaar heeft officieel het stempeltje ‘ongeneeslijk ziek’ gekregen, maar stoppen met werken heeft ze niet overwogen.

Of, nou, eventjes dan. „Toen ik ziek werd, vroeg ik aan mijn dochters: zouden jullie het fijn vinden als ik thuis ben? Ze zijn 13 en 17. Maar ze zeiden: joh mam, wij gaan gewoon naar school en vrienden hoor – zit jij daar alleen thuis.” Ze moet er hartelijk om lachen. „Ik werk heel graag, dus ik ben blij met deze uitkomst.”