De rijken blijven in hun dure terreinwagens zitten om corona op afstand te houden

Veel Kenianen worden economisch hard geraakt door de pandemie, ziet . „Corona maakte alles wat ik had opgebouwd kapot.”

Koert Lindijer
Koert Lindijer Merlijn Doomernik

Eerst kwamen tijdens de lockdown vorig jaar kantoorpersoneel en anderen met een vast salaris naar mijn buurt, om uitlaatgasvrij te joggen. Ze werden gevolgd door zakkenrollers. Die boeven rijden op razendsnelle brommers en gebruiken neppistolen om de mobieltjes uit trainingspakken te gappen. Daar probeert de politie nu een einde aan te maken.

Plots stond er een gepantserd voertuig van de militaire politie voor de toegangspoort van mijn huis in Nairobi; agenten met geweren patrouilleerden in de omgeving. „Vanwege de toegenomen misdaad door corona”, vertelde de hoofdagent deze week. Door de pandemie verandert het straatbeeld van mijn voorheen zo rustige buitenwijk in de Keniaanse hoofdstad.

„Valt je op hoeveel mensen tegenwoordig maar wat rondhangen langs de wegen?”, vraagt Nicholas, de chauffeur van mijn brommertaxi in de buurt. „Iedereen zoekt werk. Een lekke band of motorpech van een rijke bezorgt ons armen een klusje en de kans om een paar centen te verdienen voor een avondmaal. Door corona moeten we meer pushen dan ooit.” Iedere rijke buurt, ook de mijne, gaat vergezeld van een krottenwijk, waar Nicholas woont in een arbeidsreservoir van armen voor de rijken.

In totaal, zo berekende de Keniaanse Vereniging van Werkgevers, verloren 1,7 miljoen Kenianen hun baan sinds corona, alleen al in de formele sector. De zwaarste klappen vallen echter in de informele sector van de economie, waarin driekwart van de werkende Kenianen zijn geld verdient. Onder die arme zelfstandigen is de rek er nu bijna uit.

Monica Kimani staat langs de hoofdweg in mijn buurt met een trekkar vol groente en fruit. Ze is een vrouw van dertig die zich uit die sloppen omhoog trok en in staat was met haar man een gezin met vier kinderen te onderhouden. Maar dat is verleden tijd. „Ik had me niet kunnen voorstellen dat het ooit nog zo slecht zou worden”, zegt ze. Ze verloor haar baan bij een bedrijf dat gasflessen verkoopt: op gas koken is voor veel Kenianen te duur geworden. „Door het venten heb ik geen schulden meer en houd ik het hoofd boven water. Als ik thuis was gebleven, had ik het niet gered.”

De rijken zoeven langs in hun dure terreinwagens, de armen lopen. En als de rijken stoppen, komen ze hun auto niet uit: zo houden ze corona op afstand. „Klanten in auto’s doen nauwelijks hun raampje open”, lacht Monica. „O ja, en ze willen geen lokale bananen met een bruin plekje, die zijn voor de voetgangers. Aan de autorijders verkoop ik daarom appels geïmporteerd uit Zuid-Afrika, aan de voetgangers vruchten met een vlekje.”

In mijn eens rustige buurt vullen iedere morgen de bermen zich weer met ritselaars. Naast Monica staat een voormalige student die zijn collegegeld niet meer kan betalen en nu vanuit de achterbak van een auto toeristenprullaria verkoopt. Daarnaast een ontslagen leraar met gekookte eieren, dan wat jonge acrobaten die op elkaars schouders klimmen en hun jongleerkegels de lucht in werpen – naast een verkeersdrempel waar bestuurders afremmen, en dus geld kunnen geven.

De volgende is Maina, een man van middelbare leeftijd die groente en fruit verkoopt. Zijn kwabbig geworden bovenlijf doet vermoeden dat hij betere tijden heeft gekend. „Corona maakte alles wat ik had opgebouwd kapot”, zucht hij. Ook hij doet zaken vanuit de achterbak van zijn auto, een van de laatste van zijn verhuurbedrijf. „Ik bezat vijftien auto’s, maar wie wil er nog een auto huren.” Hij lacht schamper. „Ik kan mijn leven van nu niet vergelijken met van voor corona. Om half vier sta ik op en struin ik de markten af. Vroeger zat ik op mijn kont en wachtte ik af, nu doe ik mee aan een moordende concurrentie.”

Hij laat een uit Rwanda geïmporteerde passievrucht in zijn hand rollen. „Wie kan zich dat tegenwoordig nog permitteren, behalve in jouw buurt”, sneert hij. „Ik eet nu minder dan vroeger en koop tweedehands kleren.” Hij wijst naar een hoopje rotte tomaten. „Daar snij ik het goede gedeelte van af, dat is voor mijn avondmaal.”