Opinie

Loop waar de paupers liepen en leer daarvan

Armenzorg Prima dat de Koloniën der Weldadigheid tot Unesco Werelderfgoed zijn verklaard, als het ons helpt een herhaling van de geschiedenis te voorkomen, schrijft .
Illustratie Hajo

Deze zomer zijn de Koloniën van Weldadigheid tot Unesco Werelderfgoed verklaard. Het is voorbij met de schande en schaamte die de geschiedenis van de pauperkoloniën aankleeft. Ineens zijn we er trots op – op een bepaalde manier. Het sociale experiment van generaal Johannes van den Bosch, dat het leven heeft getekend van mijn voorouders en tienduizenden anderen tot in de zoveelste generatie, wordt een toeristentrekker.

Is dat een goed idee?

Voor Het pauperparadijs heb ik onderzocht hoe drie generaties van mijn voorouders de goedbedoelde armoedebestrijding van dwangkolonie Veenhuizen hebben ondergaan. Ik ontdekte dat gezinnen daar harteloos uit elkaar werden getrokken als de directeur ze niet ‘fatsoenlijk’ vond; hoe armelui die door honger gedreven vrijwillig waren gekomen niet meer weg mochten voor ze hun ‘schulden’ hadden betaald; hoe mijn voorouders tot in officiële documenten hadden moeten liegen over hun gestichtsverblijf om zich te beschermen tegen de vooroordelen; hoe ongehuwd zwangere vrouwen voor jaren werden verbannen naar een strafkolonie – de man kreeg negen dagen op water en brood.

Armoede

Ik zag ook de goede bedoelingen. Generaal Van den Bosch probeerde de armoede tenminste te bestrijden, met de beperkte kennis van begin 19de eeuw. Bovendien was het leven in sommige van de koloniën minder erg dan in Veenhuizen.

Lees ook: De Koloniën van Weldadigheid: van utopie naar plek van verdriet

Toen Unesco deze zomer de knoop doorhakte vlogen de felicitaties over en weer. Jarenlang was er door deskundigen hard gewerkt om te voldoen aan het erfgoedlabel, van wetenschappelijk onderzoek tot samenwerking tussen overheden. Logisch dat men elkaar feliciteerde. Maar wie moest er eigenlijk gefeliciteerd worden, en waarmee?

„De koloniën waren een sociaal experiment in armoedebestrijding,” zei de Drentse gedeputeerde tegen de NOS toen Unesco het ja-woord had uitgesproken. „Ze kunnen voor de mensheid een teken van hoop zijn hoe er geprobeerd wordt de omstandigheden van armen en kwetsbaren te verbeteren.”

Het woord hoop bezorgde mij een déjà vu. Bij mijn eerste bezoek aan Veenhuizen in 2004 ontmoette ik een projectleider die het dorp met ‘kwaliteitstoerisme’ voor verval moest behoeden. „We baseren ons op de uitgangspunten van de bedelaarskolonie,” zei hij. ‘Respect voor elkaar’ en ‘sociaaleconomische cohesie en wederkerigheid’. Ik dacht: de waarheid heeft hier meerdere gezichten. En zo is het nog altijd.

Als je musea en bezoekerscentra inricht kan je niet te zeer hameren op ellende

Het heropvoeden van paupers met militaire tucht en discipline – het geëxperimenteer met mensen dat nu ‘social engineering’ heet – vormt de basis van de ‘uitzonderlijke universele waarde’ die Unesco in de koloniën ziet. Volgens de officiële website weerspiegelt het landschap nog altijd het idee van het „transformeren van arme mensen in ‘ijverige’ burgers en ‘braakliggend’ naar productief land”. Er wordt ook gesproken over „panoptische en disciplinaire nederzettingen, bedoeld voor tijdelijke scheiding van armen in een gesloten agrarische omgeving met permanent toezicht”.

Uit deze teksten blijkt dat het minder mooie gezicht door Unesco niet is vergeten. Dat er tegenover de media liever wordt gesproken over ‘hoop’ heeft alles te maken met pr. Begrijpelijk. Als je musea en bezoekerscentra inricht kan je niet te zeer hameren op ellende. De kwaliteitstoeristen moeten wel komen. Liefst uit de hele wereld. Dat is goed voor de economie en de werkgelegenheid. Bovendien: zonder die inkomsten kan het erfgoed niet worden onderhouden.

Lux et Libertas Lees ook:Erfgoed blijft kwetsbaar, ook al staat het op een wereldlijst

Maar waar moet het Unesco-stempel voor staan? Sinds de pandemie is de kloof tussen arm en rijk dramatisch toegenomen, het onderwerp is schrijnend-actueler dan ooit. En het genadeloos mangelen van individuen met te ver doorgevoerde controle om een collectief doel na te streven (fraudebestrijding bijvoorbeeld) heeft met de Toeslagenaffaire een akelig nieuw gelaat gekregen. Ook in de Koloniën van Weldadigheid stond een mens machteloos tegenover het systeem.

Paternalisme

De projectleider zei: „Als je over honderd jaar terugkijkt, zul je zien dat de historische lijn niet wordt verbroken.” Maar ik wil juist dat die lijn wél wordt verbroken. Ik heb het alleen over die andere, veel belangrijkere lijn. Die van paternalisme bij armoedebestrijding, van neerkijken op mensen die het zelf niet redden, van geïnstitutionaliseerd wantrouwen dat leidt tot onuitwisbare stigma’s, het ontnemen van iemands vrijheid vanuit goede bedoelingen, het creëren van een systeem met schulden en boetes waaruit ontsnappen niet mogelijk is. Dát is waar de erfgoedstatus volgens mij over moet gaan.

Ik zie de schijnwerper die Unesco op deze historie richt vooral als waarschuwing: de mooiste idealen kunnen onherroepelijke schade aanrichten wanneer iemand – een generaal, een overheidsinstantie – meent te mogen beslissen hoe een ander moet leven.

Dus ja, laten we de Koloniën van Weldadigheid massaal gaan bekijken, maar dan als symbool van de zoektocht naar een waardig bestaan voor iedereen om niet te vergeten hoe we daarbij keer op keer de mist in gaan. In de hoop dat we toch iets van de geschiedenis willen leren.