Opinie

De therapie voor zaken waarbij alleen praten niet genoeg is

Ellen Deckwitz

Gisteren haalde ik oudoom Karel (109 ofzo) op van therapie. Na decennia te hebben volgehouden dat hij echt geen last had van zijn tijd in de Japanse interneringskampen (ondanks het feit dat hij sinds ’45 altijd schreeuwde in zijn slaap, woedeaanvallen naar postbodes had en een weefgetouw aan littekens op zijn rug bezat), belde hij afgelopen voorjaar toch eens mijn zus, de psycholoog, op. Hij had iets gelezen over een behandeling, iets met bewegend licht in een balkje, wat hielp bij trauma’s of iets dergelijks, niet dat hij hulp nodig had hoor, hij was er gewoon in geïnteresseerd, op een wetenschappelijke manier enzo.

Inmiddels heeft hij om de drie weken een sessie. Zelf heb ik deze therapie meermaals ondergaan, voor zaken waarbij alleen praten niet meer genoeg was. Aanvankelijk was ik sceptisch. Zit je daar naar een balkje te staren waarin een rood lichtje heen en weer gaat terwijl je allemaal akelige herinneringen moet oprakelen, maar gaandeweg verdwenen de nachtmerries. Het lichtbalkje veranderde van een knipperende spoorwegovergang in een wisser voor angst, woede en verdriet. Opeens kon ik naar het verleden kijken zonder er meteen van in paniek te raken.

Inmiddels slaapt Karel beter, is hij kalmer, minder somber. Dat zijn de langetermijneffecten van de behandeling, waardoor je alle kortetermijneffecten voor lief neemt. De dagen na zo’n sessie voel je je juist slechter, ben je mentaal total loss en wil je alleen nog maar in een foetushouding liggen met de gordijnen dicht.

Ook Karel was gisteren, toen ik hem afhaalde, helemaal gesloopt. Eenmaal thuis liet hij zich op het Perzische kleed in de woonkamer vallen. Ik ging naast hem liggen.

„Ik vind het knap dat je er ondanks jouw leeftijd alsnog vol voor gaat”, zei ik.

„Ik heb zo lang gedacht dat ik te oud was om er nog iets aan te doen”, zei hij, „maar ik wilde niet meer bang zijn voor mijn dromen. Ook al ga ik morgen dood, dan ben ik alsnog blij met elke dag rust die ik nu heb weten te verwerven.”

Hij was klaar met een verleden waar hij nooit om had gevraagd, dat hij elke dag het hoofd moest bieden. Overdag, ’s nachts, tijdens werk, vrije tijd, verliefd worden, ruzie maken, het verwekken van kinderen of het genezen van ziekte. De geschiedenis vervaagde niet. De bagage bleef.

Zijn ogen beginnen te lekken op het oosterse tapijt. Vanuit een lijf dat maar niet wilde vergeten, hoeveel kransen er ook werden gelegd, hoeveel minuten stilte er ook in acht werden genomen.

Het druipt vanuit een hoofd dat begint op te klaren. Waarin het op de valreep van het leven opeens eindelijk aardig wonen is.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.