'Een Amerikaan gaat voor de Delfts blauwe vaas van 200 euro, een Nederlander koopt een magneetje'

Toerisme Delft wacht met smart op de échte liefhebbers van Delfts blauw, uit Amerika en Azië. Die besteden veel meer dan Nederlanders.

Koos Rozenburg (87) bij zijn antiekwinkel. Sinds de Chinezen en Amerikanen door corona niet meer naar Delft komen, gaat het slecht met de handel in Delfts Blauw.
Koos Rozenburg (87) bij zijn antiekwinkel. Sinds de Chinezen en Amerikanen door corona niet meer naar Delft komen, gaat het slecht met de handel in Delfts Blauw. Foto’s David van Dam

Koos Rozenburg (87) reikt naar zijn gehoorapparaat, dat tussen talloze spulletjes op de houten tafel in zijn winkel ligt. Hij verkoopt alles wat met Delfts blauw te maken heeft: aardewerken borden, vazen, beeldjes, tegeltjes. En ook andere oud-Hollandse souvenirs, zoals roestige houten schaatsen. Veel ruimte om rond te lopen is er niet in de winkel.

„Zo, nu kan ik je verstaan. Of er nog toeristen komen? Nou, even niet. Maar voorheen kwamen er schepen vol Amerikanen en bussen vol Chinezen. Die vinden Delfts blauw prachtig. Daar moet ik nu even op wachten.”

Delft staat bekend om de schilder Johannes Vermeer, de oude binnenstad en de technische universiteit, maar bovenal om het beschilderde aardewerk. Vóór de coronapandemie trokken Amerikaanse en Aziatische toeristen veelvuldig naar het stadje in Zuid-Holland voor Delfts blauw, nu moeten de toeristenwinkeltjes het vooral van Nederlandse dagjesmensen en Europese toeristen hebben.

Het aantal toeristen in Delft daalde flink sinds de coronauitbraak. Zo telden de Oude en Nieuwe Kerk – „de grootste publiekstrekkers” – 73 procent minder toeristen in 2020 dan in 2019, blijkt uit cijfers van Delft Marketing. Museum Prinsenhof ontving 45 procent bezoekers minder. Het VVV-kantoor, informatiepunt voor toerisme, ontving vorig jaar slechts 8.166 ‘vragenstellers’, een daling met 70 procent. Van hen kwam 58 procent uit Nederland, 17 procent uit Duitsland.

Koos Rozenburg verkocht vorig jaar vrijwel niets, net zomin als de eerste helft van dit jaar. Nu gaat het wel, vanwege die dagjesmensen. Niet dat hij zich zorgen maakt, als oudste winkelier van Delft. „Ik ben een stokoude man met de schapen op het droge. Als de mensen niet meer komen, ga ik op m’n stoel zitten en genieten van mijn spullen.”

Gesloten winkels

Anders is het voor de 58-jarige Hans de Vries, van Delft Souvenir Shop, die vooral de winkelsluiting in zijn portemonnee voelde. „Toen winkelen alleen op afspraak mocht, heb ik dat negen keer gedaan. Daar verdiende ik 180 euro aan. In twee maanden. Dat sloeg helemaal nergens op. Soms maakten mensen een afspraak voor één ansichtkaart.” Ook hij mist de Amerikaanse en Chinese toeristen – die besteden veel meer dan Nederlanders. „Een Amerikaan gaat voor de vaas van 200 euro, een Nederlander koopt een magneetje.”

Ik heb minder concurrentie

Hans de Vries Delft Souvenir Shop

Toch overleeft hij het ook zonder de ‘grote uitgevers’ wel: het aantal dagjesmensen is behoorlijk toegenomen sinds de coronacrisis, merkt hij. En ook Duitsers en Fransen weten zijn winkel op de hoek van de Markt nog goed te vinden. Afgelopen maand had hij het er „razend druk” mee. Inmiddels lopen Nederlandse, Franse en Duitse toeristen af en aan. Het compenseert het verlies van de overzeese toerist niet helemaal, maar maakt het wel de moeite waard om open te blijven. „Ik laat een paar duizend euro liggen, maar maak wel nog winst.”

Een hoop soortgelijke winkels hebben het niet gered. Alleen al op de Markt zijn er drie verdwenen. De Vries: „Dat is heel triest, maar voor mij wel gunstig: ik heb minder concurrentie.” Hij nam de voorraad van een van de gesloten winkels over. Daardoor hoefde hij dit jaar niets bij te bestellen, en staat zijn winkel tjokvol.

Zwarte pieten

Ook familiebedrijf House of Vermeer, aan de andere kant van de Markt, profiteert van de sluitingen. Bas Kaizer, zoon van de eigenares: „Het is bizar, maar het gaat eigenlijk best goed daardoor.”

Wel heeft de familie het assortiment iets aangepast. Ze verkopen nu meer magneten en hebben poppetjes van zwarte pieten ingekocht, die een eigen plankje in een van de vitrines hebben. „Tja, ik ben er zelf eigenlijk op tegen, maar Nederlanders vinden dat leuk. Als er geen corona was geweest, en we nog steeds Amerikaanse en Aziatische toeristen in de winkel kregen, hadden we die zwarte pieten niet verkocht.” Maar Nederlanders kopen nu eenmaal geen duur Delfts blauw, zegt Kaizer. „Die hebben dat allemaal bij oma op de kast staan, en gaan er geen honderden euro’s voor betalen.”

Ook De Vries experimenteerde wat met zijn aanbod. Met zelfgemaakte mondkapjes – in het Delfts blauw, uiteraard – heeft hij „een goede slag geslagen”. Hij maakte ze van „stevige servetten” en verkocht ze voor 14,95 euro. En hij heeft een doos met oude Donald Ducks en tweedehands boeken voor de deur gezet. „Maar die verkoop ik voor een paar euro, dus daar verdien ik niet zoveel aan.” Meer aanpassingen in zijn assortiment komen er niet. „Een schoenmaker moet bij zijn leest blijven. Het blijft een toeristenwinkel met molens, klompen, tulpen en Delfts blauw.”

Waarom Delfts blauw vooral bij Amerikanen en Aziaten in trek is, weet de Koos Rozenburg wel te verklaren. „Amerikanen hebben zelf weinig culturele geschiedenis, dus die zijn dol op alles wat oud is. Delfts aardewerk dus, maar ook de rest van de stad: alles hier is oud. En omdat Delfts blauw ooit is ontstaan als kopie van Chinees porselein, vinden Chinezen het leuk.” Hij wacht hun terugkomst rustig af: „Mijn handel bederft niet.”

De tegels, borden en beelden in de winkel van Rozenburg komen veelal uit de achttiende eeuw, maar hij wijst ook op een ‘Goudse tegel’ met een gekleurde vogel: „Die is van halverwege de zeventiende eeuw.” Aan de muur hangt een schilderij van een VOC-schip, samengesteld van blauwe tegeltjes. „Alles handgeschilderd.”

Ontblote rug

Op toeristen uit Amerika en Azië blijft het nog even wachten. Zolang Nederland op rood staat, gaan georganiseerde groepsreizen niet door. En hoewel er nog weleens Duitse, Franse of Spaanse toeristen de Delftse winkels binnenlopen, is ook dat minder geworden sinds de besmettingen in Nederland weer opliepen na de versoepelingen in juni.

Dat merken niet alleen de traditionele winkeltjes, ook conceptstore Loco Lama ontvangt tegenwoordig een meer lokaal publiek. In deze winkel, net voorbij de Beestenmarkt, komen meer Delftenaren dan ooit. Er kwamen veel Duitsers, totdat de regels weer werden aangescherpt en Duitsers na terugkeer uit Nederland – tot vorige week – in quarantaine moesten. „Dan moesten ze voor een dagje Delft meteen een hele week vrij nemen”, zegt medewerker Marije van Halderen (31).

Achter de toonbank hangt een levensgroot geweven portret van een vrouw met blote rug, beschilderd met Delfts blauw. Naast parfum, sieraden, kleding, lampen en kaarsjes, zijn óók hier de bekende tegeltjes te koop. Maar niet zoveel als voor corona: „We hebben veel minder souvenirs ingekocht. Normaal gesproken zouden we een hele toeristentafel hebben.”

’s Zomers bestaat de klandizie voor ongeveer 30 procent uit toeristen, schat Van Halderen. Deze zomer denkt ze eerder aan 5 procent. „Maar er stappen wel elke dag nieuwe klanten uit Delft binnen.”

En inderdaad: het is druk in het historisch centrum van Delft, met de nauwe straatjes, imposante panden en groene grachten, maar er klinkt voornamelijk Nederlands. Hier en daar is wat Frans of Duits te horen, vanaf de talloze, stampvolle terrasjes in het waterige zonnetje. Tussen de hinten van Delfts blauw – op lantaarnpalen, elektriciteitskastjes, gevels – is het wachten op de échte liefhebbers, uit Amerika en Azië.