De Eredivisie doet fysiek goed mee – spelers lopen hier meer kilometers dan in de Bundesliga

Eredivisie Bij de start van de voetbalcompetities in Europa mochten (meer) fans zijn. Hoe fit zijn de spelers waar ze naar kijken? Qua fysieke belasting is de Eredivisie vergeleken met grote competities zo zwak nog niet.

Ryan Gravenberch (Ajax) wint een duel van Lasse Schöne (NEC), zaterdagavond in de Johan Cruijff Arena in Amsterdam.
Ryan Gravenberch (Ajax) wint een duel van Lasse Schöne (NEC), zaterdagavond in de Johan Cruijff Arena in Amsterdam. Foto Maurice van Steen/ANP

Tien, tien, tien, tien!” 2-0 voor Ajax tegen NEC, binnen elf minuten in de Johan Cruijff Arena. Het publiek wilde meer, het wilde sensatie. Het wilde simpelweg zoveel mogelijk juichen, nu het weer kan.

In die ene uitroep, om tien doelpunten, zat zóveel vreugde. Want of ze nu in Amsterdam zaten, op Old Trafford bij Manchester United, in Camp Nou bij FC Barcelona of in het Cambuurstadion van Leeuwarden, de mensen mochten weer naar het stadion, in ieder geval met meer dan vorig seizoen. Vrienden, bier, een kroket (Eredivisie), steak pie (Premier League) of bockworst (Bundesliga) in de hand. Eindelijk.

In Amsterdam stond het bij rust al 5-0 voor Ajax. Harde leerschool voor NEC, dat terug is op het hoogste niveau in Nederland. „We moeten wennen aan het tempo van de Eredivisie”, zei trainer Rogier Meijer voor de wedstrijd. Dat bleek. Het tempo van Ajax was véél te hoog voor NEC, dat soms op meters van de tegenstander stond te dekken. Bij de goal van Dusan Tadic, op aangeven van Steven Berghuis, werd de defensie van NEC er simpelweg uitgesprint. Na rust schakelde Ajax terug, het bleef bij 5-0, maar het verschil in kwaliteit was gigantisch.

Lees ook: Als voetballer mag je niet de indruk wekken dat je onzeker bent

Het zijn wedstrijden die bijdragen aan het beeld van de Eredivisie als zwakke broeder. Een paar goede clubs, heel veel zwakke – een competitie die vooral op fysiek vlak een achterstand zou hebben op de top van Europa.

Toen Hakim Ziyech vorig jaar van Ajax naar Chelsea ging, waarschuwde Anwar El Ghazi, die bij Aston Villa in de Premier League speelt, hem in een video: „Bereid je goed voor! Ga heel snel naar de gym. In de Premier League zijn het alleen maar beesten.”

Kijken al die fans nu ze weer het stadion in mogen echt naar een competitie die fysiek weinig vraagt van de spelers?

Minder sprints

Dat blijkt niet uit de data, als je de Eredivisie vergelijkt met competities uit grote Europese voetballanden. Althans, als je kijkt naar de intensiteit van het spel. Skillcorner, leverancier van voetbalstatistieken, zocht voor NRC uit in welke competities het meest gevraagd wordt van het atletisch vermogen van voetballers. Daarvoor vergeleek het de afstanden die spelers gemiddeld per wedstrijd afleggen en het tempo waarin ze dat doen, op basis van alle wedstrijden in grote competities, uitgezonderd Italië, in het afgelopen seizoen.

Vorig seizoen liepen spelers in de Eredivisie gemiddeld bijna 10,4 kilometer per 90 minuten, vergelijkbaar met hun collega’s op het hoogste niveau in Spanje (La Liga). Dat was 300 meter meer dan voetballers in de Premier League aflegden, terwijl spelers in de Bundesliga niet verder kwamen dan een gemiddelde van 10 kilometer. In de Franse Ligue 1 werd door de bank genomen nog minder gelopen: 9,9 kilometer.

Maar totale afstanden alleen zeggen niet zoveel. Veel belangrijker is hoeveel sprints spelers moeten trekken en of ze veel rennen of vooral wandelen. Wat dat betreft springen de Premier League en La Liga eruit als de meest ‘intense’ competities. Meer dan zestig keer per 90 minuten bereiken spelers in Spanje en Engeland snelheden boven de 20 kilometer per uur. In Nederland en Duitsland ligt het gemiddelde op 59, in Frankrijk op 56. Rennen wordt sprinten bij een snelheid boven de 25 kilometer per uur. Dat gebeurt in de Eredivisie dan weer wel relatief weinig (7,5 keer per wedstrijd). Spelers in de Premier League (8,5 keer gemiddeld per duel) en Spanje (ruim 9 keer) sprinten het meest.

Hoge intensiteit in Premier League

Telstar-coach Andries Jonker, die zowel bij clubs in Spanje (FC Barcelona), Duitsland (Bayern München en Wolfsburg) als Engeland (Arsenal) heeft gewerkt, zag vooral in de Premier League dat de intensiteit van het spel hoger lag dan in Nederland. Volgens hem heeft dat voor een belangrijk deel te maken met de voetbalcultuur en de verwachtingen van het publiek. „Als een speler in Engeland de bal verovert, willen de supporters dat hij direct vooruit gaat, zelfs als zo’n actie kansloos is”, zegt Jonker. „Je voelt de teleurstelling in het stadion als een voetballer achteruit gaat en kiest voor balbezit. Dus gaan spelers in Engeland sneller naar voren en is de intensiteit hoger.”

Na een half uur spelen bij het duel tussen Manchester United en Leeds United was het dit weekend perfect te zien. Balverlies van Leeds en vier passes verder – waaronder een briljante assist van Paul Pogba – lag de bal er al in. Bruno Fernandes scoorde, negen seconden nadat Leeds de bal was kwijtgeraakt. Het werd 5-1 in Manchester.

Intensiteit is overigens géén synoniem voor kwaliteit, benadrukt Jonker. Hij herinnert zich een wedstrijd uit 2009 van Borussia Dortmund tegen Bayern München, waar hij destijds assistent was van Louis van Gaal. Jonker: „Dortmund had de meeste kilometers gelopen, de meeste sprints gemaakt, waanzinnig intens was het allemaal. Maar wij wonnen met 1-5. Want wij hadden veel de bal en lieten die rond gaan.”

In het Signal Iduna Park in Dortmund was Erling Haaland afgelopen weekend los. Hij werd zaterdag de diepte in gestuurd en sprintte vanaf de middenlijn richting goal. Niemand die hem kon bijhouden. De ene verdediger die nog in zijn buurt kwam zette hij met een lichaamsbeweging makkelijk van zich af. Haaland schoof de bal langs de keeper van Frankfurt. Het was zijn tweede goal, hij had ook al twee assists gegeven. Haaland – snel, sterk, atletisch – scoorde vorig seizoen ook al veertig keer in de competitie en is een van de sensaties op de Europese velden. Hij is met zijn fysiek bovendien een typisch product van modern topvoetbal.

Voetbal is sneller geworden, de balsnelheid is hoger, het aantal passes is gestegen, spelers wisselen meer van positie, zijn atletischer en fysiek sterker, blijkt uit verschillende wetenschappelijke onderzoeken.

Trainingen zijn ook veranderd. Minder duurlopen, meer oefeningen om explosiviteit en kracht te verbeteren. Op de bank bij PSV, dat dit weekend won van Heracles Almelo (0-2), zit sinds vorig jaar fysiektrainer Yann-Benjamin Kugel. Hij wordt door supporters in Eindhoven ‘Sloopkugel’ genoemd, omdat zijn trainingen de naam hebben heel intens te zijn. Kugel was conditietrainer van de Duitse nationale ploeg die wereldkampioen werd in 2014. Hij schreef er een boek over, ‘Fit zoals de wereldkampioen’ (2017). Kugel ziet dat spelers steeds beter in de gaten hebben dat conditietrainers hen specifiek trainen op kwaliteiten waar ze in het veld direct profijt van hebben, zoals explosiviteit in hun sprints. „Sommige spelers wilden fysieke trainingen vroeger liever vermijden. Maar tegenwoordig begrijpen spelers de bedoeling van deze trainingen en voelen ze hoe hun prestaties op het veld verbeteren”, schrijft Kugel daarover in zijn boek.

PSV’er Cody Gakpo (midden) aan de bal in de uitwedstrijd tegen Heracles in Almelo. Foto Vincent Jannink/ANP

Fysiektrainer Terry Peters, die bij Olympique Lyon werkt met hoofdtrainer Peter Bosz, ziet cultuurverschillen in de manier waarop spelers aan hun fitheid werken tussen verschillende landen. Peters was eerder in dienst bij onder meer SC Heerenveen, Vitesse en Bayer Leverkusen.

„In Nederland spelen veel jonge spelers, die ook hun professionaliteit nog moeten ontwikkelen. Ervaren topspelers in Duitsland zien voetbal echt als een vak, een baan. Na de training werken ze nog uren aan hun lichaam, om sterker en fitter te worden. Jeugdige spelers moeten zo’n levensstijl ook leren. Ik denk dat Nederlandse clubs daarin steeds professioneler worden, waardoor fysieke verschillen kleiner worden”, vertelt Peters.

Desondanks is hij niet verbaasd over de fysieke verschillen tussen competities die de data van Skillcorner laten zien. „In de Nederlandse voetbalcultuur gaan we uit van balbezit en komen verdedigers veel in beweging. Spelers lopen relatief veel met de bal, waardoor ploegen langer in balbezit zijn. Dan is het niet verrassend dat we in Nederland meer kilometers maken, maar wat minder op hoge intensiteit lopen”, constateert Peters.

Die intensiteit, zegt hij, is het belangrijkste. Dát is volgens hem de reden dat het voor spelers uit de Eredivisie vaak lastig is om fysiek aan te klampen op het hoogste niveau in Duitsland of Engeland.

Vier keer zoveel trainen

Wout Weghorst, de aanvaller die in 2018 van AZ naar VfL Wolfsburg ging en dit weekend de winnende goal maakte voor zijn club tegen VfL Bochum, zei eens in TC Tubantia dat hij in Duitsland „vier keer zoveel en tweemaal zo lang” trainde als hij in Nederland gewend was. „De nadruk ligt veel meer op het hoge tempo en omschakelen. Mijn conditie bleek goed, ik hoefde gelukkig geen sessie over te slaan. Maar overal waar ik ging zitten, kon ik zo in slaap vallen”, zei Weghorst.

Fysiektrainer Terry Peters heeft dat verschil ook gemerkt, toen hij na zijn baan in Heerenveen bij Bayer Leverkusen ging werken. „In Duitsland worden ballen harder ingespeeld, meteen op het goede been en hoeven spelers de bal maar één keer te controleren. Er wordt ook minder gedribbeld, waardoor het spel veel sneller is. Je moet dat fysiek aankunnen”, vertelt Peters.

Ook tussen beter aangeschreven competities als de Bundesliga en de Ligue 1 zijn er duidelijke verschillen, ziet Peters. „In Duitsland zijn spelers van jongs af aan gewend om razendsnel om te schakelen, zowel verdedigend als aanvallend. In Frankrijk bouwen spelers vaker een rustmoment in, waardoor de intensiteit lager is”, zegt Peters. Zulke verschillen hebben in zijn ogen een lange geschiedenis en hebben ook te maken met trainingscultuur. Bij Olympique Lyon ziet hij bijvoorbeeld dat er in de jeugd nog veel aan duurtraining wordt gedaan, waardoor spelers minder gewend zijn aan hoge intensiteit – dat zie je uiteindelijk terug in de hoogste competitie.

Geen gigantische verschillen

Peters vindt het „véél te kort door de bocht” als mensen beweren dat de Eredivisie fysiek een zwakke competitie is – bijvoorbeeld na een makkelijke overwinning van Ajax op NEC. Het is volgens hem een ándere competitie, omdat er meer op techniek wordt gespeeld en ook aanvallender dan in andere landen. Bovendien, zegt Peters, laten de data zien dat de verschillen met topcompetities niet gigantisch zijn.

Er is wél een verschil, volgens Peters, dat zich niet laat meten in spierkracht of gelopen kilometers.

Dat is instelling. Daarin kunnen Nederlandse clubs nog winnen, denkt hij. Peters: „Bij Olympique Lyon speelden we deze week een wedstrijdje op de training. Peter Bosz wilde de spelers prikkelen en floot af toen de stand gelijk was. In Nederland zag ik dan vaak dat spelers dachten: aha, mooi, training afgelopen. Hier bij Lyon waren die jongens helemaal over de zeik. Er móést een winnaar komen. Ze willen per se tot het gaatje gaan. Op dat vlak is het mes in de Eredivisie minder scherp geslepen.”