Opinie

Waarom zou geweld van ‘Gooise’ jeugd onbegrijpelijk zijn – en is er een trend?

De ombudsman

Zinloos geweld lijkt terug van nooit weggeweest, na het incident op Mallorca, waar Nederlandse jongeren een 27-jarige landgenoot zo zwaar mishandelden dat hij overleed. Walging en woede vechten om de voorrang in de beroering over die misdaad.

Ook in NRC.

Filosoof Hans Achterhuis roept in een essay in deze bijlage collega Hegel te hulp om vast te stellen dat geweld voortkomt uit een zucht naar „erkenning”. Hij besluit ermee dat dit fenomeen, ná zijn analyse, nu „empirisch” dient te worden onderzocht.

Dat laatste is in elk geval goede raad. Je kunt het ook omdraaien: laten we eens empirisch beginnen – en hoe deed de krant dat?

Er komt zeker nog meer, maar Spanje-correspondent Koen Greven gaf al nuttige achtergrondinformatie over Mallorca, waar de badgasten verdeeld zijn over nationale enclaves, met een Nederlandse concentratie in het oord El Arenal, „een paradijs voor tieners en twintigers die zich zonder hun ouders te buiten kunnen gaan aan alcohol en drugs”. Verslaggevers Kim Bos en Sezen Moeliker trokken naar het Gooi, waar de verdachten wonen. Ze troffen daar „gemêleerde vriendengroepen”. De vader van een van de verdachten heeft een snackkar. Dat nuanceerde al meteen obligate associaties bij het feit dat de verdachten afkomstig zijn uit het welgestelde Gooi – een feit dat werd uitgebraad door GeenStijl, dat bij wijze van digitale eigenrichting namen van de vermoedelijke daders publiceerde.

Het doet denken aan de ophef over de rellen bij ‘Project X’ in 2012, toen een meute van ‘gewone jongens’ huishield in Haren - wat leidde tot een serieuze sociaal-wetenchappelijke studie.

Dus kolkt onder de berichtgeving de vraag: wat betekent dit?

Je zou kunnen denken: niks nieuws onder de zon. De reportage uit het Gooi bracht mij terug naar een warme avond in juni 1986, toen ik voor het universiteitsblad Folia de sfeer ging proeven in Egmond aan Zee. Aanleiding was een onderzoek van de criminoloog Herman Franke naar „kustgeweld”. Twee jaar eerder was in Egmond een 26-jarige man zo zwaar mishandeld dat hij overleed. Het leidde tot nationale ophef. De Telegraaf sprak van „de zomer die de kuststreek in een poel van geweld dompelde”.

Volgens criminoloog Franke was dat sterk overdreven. De media hadden het incident uitvergroot tot structurele rot in het koninkrijk Nederland. Kortom, een hype in komkommertijd.

Zou het? En is dat nu ook zo?

Cijfers en statistieken wijzen niet op een hausse van geweld onder jongeren; de Volkskrant stelde nog eens vast dat geweld door jongeren al jaren afneemt, maar dat elk incident daardoor extra aandacht trekt (de „veiligheidsparadox”). Alleen: geweld mag schaarser zijn geworden, het is ook steeds vaker „excessief”. Georganiseerde misdaad, drugshandel, machismo en status, normalisering van steekwapens – het zal allemaal meespelen. Of ‘Dionysische’ ontremming, zoals die studie over Project X stelde.

Ook NRC-columnist Folkert Jensma stelde die trends vast. Hij schrijft al jaren over dalende misdaadcijfers, mannen die „tot hun 24-ste” gevaarlijk blijven en over de „dode hoek” in de statistieken, die ook weer niet alles verklaren.

Je kunt dat trouwens ook uit de archieven opdiepen. Een NRC-reportage uit 1996 meldde al dat „het geweld dat jongeren op straat plegen” niet toeneemt maar wel „grover” wordt. Aanleiding, toen: een incident in Berkhout, waar een 15-jarige jongen een man doodstak die dronken jongens tot de orde had geroepen. Een maand eerder was in Amsterdam de 26-jarige Joes Kloppenburg doodgeschopt.

Dat was het begin van een nationale bezinning op „zinloos geweld”, een begrip dat ingeburgerd raakte na de dood van Meindert Tjoelker, die in 1997 in Leeuwarden werd doodgeslagen.

Cijfers en statistieken zeggen dus niet alles. Dat jeugdgeweld afneemt is geen geruststelling wanneer het tegelijk „grover” wordt – integendeel.

Geweld in een vreedzame samenleving is altijd een magneet voor journalisten én filosofen. Zeker als het komt van „gewone” jongens, en dan ineens „onbegrijpelijk” heet. Of van de weeromstuit beladen raakt met morele paniek of met het gepolitiseerde verlangen om er een vorm van sociaal protest in te zien, zoals in de recente avondklok-rellen

Die behoefte aan duiding kan de feiten voor de voeten lopen. Klassiek voorbeeld: de moord op de Newyorkse Kitty Genovese in 1964. Die misdaad werd een cultureel icoon, nadat The New York Times schreef dat 38 omwonenden de moord hadden gezien of gehoord – maar niets deden. De hoofdredacteur schreef er een boek over, in de psychologie leidde de zaak tot het ‘omstanders-effect’: iedereen ziet iets, maar niemand grijpt in. De zaak werd een symbool van de harteloze anonimiteit van de grote stad.

Achteraf bleek de zaak minder symbolisch. De meeste getuigen hadden maar heel weinig gehoord of gezien en andere hadden wel degelijk de politie gebeld. Jaren later betuigde de krant spijt.

Mensen zoeken betekenis, en symbolen. Maar het gaat eerst om feiten; om achtergronden en oorzaken van dit concrete geweld.

Dat belooft dus een voortgaand journalistiek onderzoek – inclusief de vraag of het incident past in een trend en wat het zegt over het uitgaansleven van jongeren. Culturele speculaties over de diepere symboliek ervan kunnen dan nog wel even wachten.

De Egmondse jongeren die ik destijds sprak gaven de schuld overigens niet aan de media. Ja, er was veel geschreven, zei een van hen, maar vind je het gek? Per slot van rekening ging het om deze bittere vaststelling; „Die jongen was wel dood”.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.