Opinie

Een ongewoon goed boek over een Britse familievakantie

Michel Krielaars

In de NRC-boekenpodcast Tussen de regels ging het over Twee weken weg, een roman uit 1931 van de Britse schrijver R.C. Sherriff. Het is het verhaal van een gewoon gezin dat twee weken lang zijn jaarlijkse vakantie viert in het Zuid-Engelse badplaatsje Bognor Regis.

Er gebeurt weinig in dat boek. Een plot is er niet. Eigenlijk is het niet meer dan een subtiel verslag van een familieuitje met dagelijkse rituelen als cricket in de ochtend, geluier op het strand, een wandeling in de duinen, gezamenlijke maaltijden, een biertje in de pub.

In dat decor laat Sherriff een vader, een moeder en hun drie kinderen ieder afzonderlijk hun dagelijkse kleine zorgen overdenken. En juist die gewone zorgen van dat groepje gewone, aardige, fatsoenlijke mensen maken Twee weken weg tot zo’n ongewoon goed boek, dat ik het nu ook in het Engels aan het lezen ben. Want ondanks de mooie vertaling van Inge Kok, proef je de sfeer dan nog beter.

Zo begint The Fortnight in September , zoals de roman oorspronkelijk heet, met de heerlijke zin: ‘On rainy days, when the clouds drove across on a westerly wind, the signs of fine weather came from over the Railway Embankment at the bottom of the garden.’

Die poëtische taal doet me verlangen naar andere Britse schrijvers, die het over het gewone leven van gewone mensen hebben. Naar Alan Bennett bijvoorbeeld, die behalve toneel- en scenarioschrijver ook acteur is. Zijn A Life Like Other People’s, een boek over zijn ouders, een slagersechtpaar uit Leeds, is net zo’n literair juweel als Sherriffs meesterwerk.

De humor en melancholie die in Bennetts Engels doorklinken, voeren me terug naar R.C. Sherriff. Ik lees daarom het boek dat hem in 1928 beroemd maakte, Journey’s End, een toneeltekst over zes Britse officieren in de Noord-Franse loopgraven aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Meteen begrijp ik waar de komische televisieserie Blackadder Goes Forth, met Rowan Atkinson en Hugh Laurie, op gebaseerd is, al wordt hierin vooral de draak gestoken met de militairen uit Journey’s End.

Sherriff zet in zijn toneelstuk niet alleen de kille Britse upperclass genadeloos neer, maar laat ook zien hoe kostschoolmores en het ‘keeping up appearances’ tot de onderdrukking van essentieel menselijk contact leiden. Fascinerend is ook dat in het 95 bladzijden tellende boek al het wezenlijke tussen de regels door gebeurt, waardoor het ogenschijnlijk onbelangrijke het enige is dat ertoe doet. En precies daarin evenaart het The Fortnight in September.

Een van de weinige sympathieke en normale personages is plaatsvervangend compagniescommandant Osborne, een 45-jarige leraar die zich vrijwillig voor het leger heeft aangemeld. Door Alice in Wonderland te lezen probeert hij zijn angst voor de dood te onderdrukken. Osborne is buitengewoon loyaal jegens de kille Stanhope, de veel jongere compagniescommandant die getraumatiseerd is door zijn frontervaringen .

Wanneer Osborne door Stanhope op een zinloze missie de dood in wordt gestuurd, accepteert hij zijn lot met een simpel ‘Oh’. Ook vraagt hij zijn commandant om zijn trouwring, horloge en afscheidsbrief naar zijn vrouw te sturen, zonder er verder iets aan toe te voegen. Alleen al voor zo’n indringende scène zou je Journey’s End moeten lezen om de waanzin van een oorlog te kunnen begrijpen.