Nieuwe controverses over omstreden schrijver Céline

Na vondst manuscripten De ontdekking van duizenden manuscripten van Louis-Ferdinand Céline, bij de bevrijding in 1944 ontvreemd uit zijn appartement, maken Frankrijks meest gevierde en meest controversiële schrijver opnieuw brandend actueel.

Louis-Ferdinand Céline thuis in Meudon met poes en de Franse journalist André Parinaud, ca. 1955-1956.
Louis-Ferdinand Céline thuis in Meudon met poes en de Franse journalist André Parinaud, ca. 1955-1956. Foto’s Foto Hollandse Hoogte/ EPA, Roger Viollet/ Getty Images

Niets op de hoek van de Rue Girardon en de Rue Norvins in Montmartre herinnert vandaag aan Céline. De voorbijganger zoekt vergeefs naar het plakkaat: Ici vécut Louis-Ferdinand Céline, écrivain (1894-1961). Dat is begrijpelijk, want de periode waarin de schrijver hier op de zevende verdieping woonde, van 1941 tot 1944, was de periode waarin hij aanpapte met de Duitse bezetter en openlijk flirtte met het antisemitisme.

Het nieuws dat een schat aan verloren gewaande manuscripten van Céline zestig jaar na zijn dood boven water is gekomen, vestigt opnieuw de aandacht op de gebeurtenissen die hier op 17 juni 1944 plaatsvonden.

Céline, de collaborateur, is in paniek sinds de geallieerde landing in Normandië begin juni. Het Franse verzet heeft in afwachting van de bevrijding van Parijs alvast kleine doodskistjes in zijn brievenbus gedropt: we weten waar je woont. „Waren wij in de Rue Girardon gebleven, wij hadden meteen onze bekomst gehad”, schrijft Céline daar later zelf over. „Rauw villen, eerste stap. Tweede stap, gelardeerd aan het spit, met uitjes en paprika’s op een zacht vuurtje.”

Louis-Ferdinand Céline.

Foto Hollandse Hoogte/ EPA

Céline brengt enkele manuscripten naar zijn privé-secretaresse. Maar er is te weinig tijd om alles in veiligheid te brengen. Wanneer hij en zijn vrouw Lucette halsoverkop naar Duitsland vluchten, en vandaar naar Denemarken, blijft een hele stapel achter in het appartement in de Rue Girardon.

Een hoax?

Het lot van de verdwenen manuscripten van Céline is zestig jaar lang een mysterie gebleven. Tot de krant Le Monde vorige week meldde dat zij al lange tijd in het bezit zijn van Jean-Pierre Thibaudat, theatercriticus bij de krant Libération, tot zijn vertrek daar in 2006.

Zoals Thibaudat het verhaal daags later zelf vertelt op zijn blog bij de linkse website Médiapart, kreeg hij jaren geleden (hoeveel precies laat hij in het midden) telefoon van een lezer.

„Men wil mij ontmoeten, mij documenten overhandigen die aan Céline toebehoorden. Ik denk aan een hoax. Men weet nooit. Afspraak gemaakt. De persoon komt niet met lege handen maar met een stapel documenten. Hij wil er duidelijk vanaf. Hij wil niets horen over Célines familie, waarschijnlijk om politieke redenen of vanwege het antisemitisme van de schrijver. De ontmoeting duurt niet lang. Het gaat niet om het geld. Ik zal deze persoon nooit meer zien, maar ik houd woord: ik zal de inhoud niet overhandigen aan Lucette Destouches.

De anonieme schenker kon niet weten dat Célines weduwe nog heel lang zou leven: zij stierf pas in 2019 op 107-jarige leeftijd. Céline zelf (geboren: Destouches) is dan al een halve eeuw dood. Hij stierf in Meudon in 1961, tien jaar nadat hem amnestie was verleend, officieel omdat hij een invalide was van de Eerste Wereldoorlog.

Thibaudat bracht al die tijd door met het overtikken van de manuscripten: 600 pagina’s van de altijd onvoltooide gebleven roman Casse-pipe (‘Kannonnenvoer’), een geheel onbekend boek getiteld Londres (‘Londen’), duizend handgeschreven pagina’s van Mort à Crédit (‘Dood op krediet’), de opvolger van de roman Voyage au bout de la nuit (‘Reis naar het einde van nacht’), die Céline in 1932 op de kaart had gezet. Bij elkaar zou het gaan om 20.000 bladzijden, 1 kubieke meter papier.

35 miljoen euro

Thibaudat zat op een goudmijn, en niet alleen op literair vlak: de waarde van de manuscripten wordt geraamd op drie tot vijfendertig miljoen euro. Zelf wil Thibaudat er naar eigen zeggen geen cent voor. Hij wil alleen betrokken worden bij de publicatie ervan, zegt zijn advocaat Emmanuel Pierrat tegen Libération.

„Hij zoekt noch geld noch glorie, maar hij heeft als een beest gewerkt op de manuscripten. Hij is inmiddels een célinien émérite”, een Céline-kenner bij uitstek. „Het zou idioot zijn om het zonder hem te doen.”

Louis-Ferdinand Céline met zijn honden in Meudon, ca. 1955.

Foto Roger Viollet/ Getty Images

De erfgenamen van Célines weduwe zien het anders. François Gibault (advocaat, Céline-biograaf en vriend van Lucette) en Véronique Chauvin (vriendin van Lucette die haar de laatste dertig jaar van haar leven elke dag bezocht) beschuldigen Thibaudat ervan dat hij „profijt heeft willen halen uit de manuscripten, ook al is hij perfect op de hoogte van hun frauduleuze afkomst”.

Gibault en Chauvin hebben al in januari van dit jaar klacht ingediend tegen Thibaudat, met als gevolg dat die laatste de manuscripten vorige maand heeft moeten afstaan aan het OCBC, de speciale politie-afdeling die zich bezighoudt met kunstroof. Op 19 juli hebben Gibault en Chauvin de manuscripten daar opgehaald. Het is de reden waarom Thibaudat vorige week in de openbaarheid is getreden.

„Het was tijd voor mij om de stilte te doorbreken”, schrijft hij op zijn blog. „Om hoog en luid te verkondigen dat deze schat bestaat, en om ervoor te zorgen dat hij in de nabije toekomst in een openbare instelling belandt, waar hij voor eenieder toegankelijk zal zijn, in het bijzonder voor onderzoekers en studenten.”

Rehabilitatie

Hier en daar wordt gesuggereerd dat de manuscripten, in handen van de erfgenamen, opgeschoond zouden kunnen worden, dat de donkere bladzijden van Célines verleden zouden worden weggemoffeld. Want de rehabilitatie van Céline na de oorlog is al heel lang voer voor controverse in literair Frankrijk en andere landen.

Lees ook Sebastiaan Kort over Céline’s klassieker Reis naar het einde van de nacht

Onderzoekers zijn met name benieuwd naar de briefwisseling tussen Céline en Robert Brasillach die zich tussen de manuscripten zou bevinden. Brasillach was een schrijver en uitgever en notoir antisemiet en collaborateur; hij werd na de oorlog gefusilleerd nadat generaal Charles De Gaulle had geweigerd om zijn doodstraf om te zetten in levenslang. Bekend is dat Céline in 1939 aan Brasillach schreef: „Zoals u weet ben ik racist en hitleriaans.”

De erfgenamen hebben wel een punt als zij zeggen dat Thibaudat goed op de hoogte was van de frauduleuze afkomst van de documenten. Want er is altijd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van uitgegaan dat de man die de manuscripten in 1944 heeft ontvreemd Oscar Rosembly heet. Céline zelf heeft hem in briefwisseling geïdentificeerd als „degene die na mijn vertrek mijn appartement heeft leeggeroofd”.

Rosembly was een Corsicaan die zich pas aan het einde van de oorlog tot het verzet had bekeerd, en die van de chaos van de bevrijding gebruikmaakte om de appartementen leeg te roven van collaborateurs die op de vlucht moesten gaan. Hij werd daarvoor gearresteerd. Rosembly kende het appartement van Céline goed, want hij deed de boekhouding van de schrijver. Hij is in 1990 overleden zonder ooit zijn verhaal te vertellen.