Recensie

Recensie Boeken

Het leven dat je naar de keel grijpt

Russische literatuur Smullen: de dertig beste verhalen van Tsjechov. Hij keert zich tegen de in Rusland tot op de dag van vandaag welig tierende corruptie, zinloos geweld van dronkenlappen, antisemitisme, prostitutie en uitbuiting.
Anton Tsjechov, 1899.
Anton Tsjechov, 1899.

Vaak is het oneerlijk om twee grote schrijvers met elkaar te vergelijken, omdat zoiets voor een van hen bijna altijd nadelig uitpakt. Zo is in de race tussen Konstantin Paustovski en Anton Tsjechov de eerste de verliezer. En dan heb ik het niet over zijn zesdelige memoires Verhaal van een leven, die weergaloos goed zijn, maar wel over zijn verhalen. Want een goed verhaal schrijven met een plot en zich ontwikkelende personages kan hij eigenlijk niet. Dat blijkt eens te meer uit zijn door Wim Hartog verzamelde en keurig vertaalde verhalen, die eind vorig jaar als De muziek van de herfst verschenen.

Het geheim van Paustovski’s gebrek ligt mogelijk besloten in ‘De vuurproef’, het laatste van de 57 verhalen uit de bundel. Aanvankelijk was het bedoeld als het eerste hoofdstuk van zijn Boek der omzwervingen, het laatste deel van zijn memoires. Maar toen dat in 1963 naar de drukker moest, werd het door de schrijver uit angst voor repressie vernietigd, uit het hoofd geleerd en in veiliger tijden weer uitgeschreven. Pas in 2005, ver na Paustovski’s dood, werd het gepubliceerd.

‘De vuurproef’ handelt in drie bladzijden over de alom heersende angst voor de Stalinterreur en begint met de zinnen: ‘Het land zweeg. De mensen spraken nog slechts op fluisterende toon en dan liefst nog onder vier ogen en in het holst van de nacht. Vrees verliet hen geen moment. Wie weet zou hun vrouw, vriend of geliefde zoon hen verraden.’ In elk van die zinnen zit behalve een verhaal ook een uitnodiging voor een arrestatie besloten, omdat Paustovski het had over wat toen niet geschreven mocht worden. Vandaar dat hij er uiteindelijk ook zelf het zwijgen toe deed.

Toch zou je Paustovski (1892-1968) onrecht doen als je zijn verhalen niet ook tot op zekere hoogte zou prijzen. Want behalve uitgebreide en vaak betoverende beschrijvingen van het Russische landschap, kun je ze lezen als reisreportages die zo in Verhaal van mijn leven passen. ‘De gouden draad’ (1922) springt er in dat opzicht uit. Het is het verhaal van een romantische jongeman die door Europa zwerft en naar Rusland verlangt, waarbij hij herinneringen ophaalt aan een liefdesavontuur tijdens de eerste dagen van de revolutie in Moskou en aan de Burgeroorlog in Oekraïne.

Lijfstraffen

In de hierna volgende, chronologisch gerangschikte verhalen voert Paustovski je naar de Krim en de Kaukasus. Een ‘wanhopig huilende scheepssirene’, een niet geledigde ‘lijdensbeker’ en een ziel, die zich volledig zal hullen ‘in het grauwe gewaad van de saaiheid, de alledaagsheid’ verraden hier de beginnende schrijver, die zijn droef gemoed op een gezwollen, naturalistische manier onder woorden brengt.

Naarmate de tijd vordert wordt Paustovski een betere schrijver. In 1932 publiceert hij ‘Het lot van Charles Lonceville’, een verhaal over een krijgsgevangene uit het leger van Napoleon, die als militair ingenieur tewerk wordt gesteld in de geschutsgieterij van Sint-Petersburg. Daar is hij getuige van de lijfstraffen die aan de arbeiders worden uitgedeeld. Als zoon van de revolutie wijst hij die wreedheden af en keert hij zich tegen de wetteloosheid en willekeur die Rusland regeren. Wanneer hij op een gegeven moment wordt gearresteerd wegens het verspreiden van extremistisch gedachtegoed, zegt hij tegen de politiechef die hem zijn doodvonnis meedeelt dat hij als burger van een vreemde mogendheid niet gestraft kan worden voor zijn verzet tegen de barbaarse praktijken van de tsaar. De politiebaas is zo van deze moedige woorden onder de indruk dat hij zijn gevangene naar huis stuurt.

Van een vergelijkbare literaire kwaliteit is ‘Het sterrenbeeld jachthonden’, dat zich afspeelt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. In een afgelegen observatorium in de bergen neemt een groepje van acht bejaarde astronomen van verschillende nationaliteiten het door een stom toeval op tegen de fascisten. Van wereldvreemde, in zichzelf gekeerde geleerden worden ze mensen met empathie, een eigenschap waarover Paustovski in hoge mate beschikt.

Ook in de oorlogsverhalen ‘Het Engelse scheermes’ en ‘Een druilerige dageraad’ is Paustovski op dreef. Vooral het tweede verhaal over een uit het legerhospitaal ontslagen majoor, die op verzoek van een gewonde mede-officier een brief bij diens vrouw moet afleveren, maakt indruk. Eenmaal bij haar thuis, ontdekt de majoor dat de vrouw en haar man in onmin leven. De majoor, een vrijgezel, beleeft bij haar een kortstondig gevoel van liefde dat hij zelf nooit heeft gekend. Weemoedige natuurbeschrijvingen en scherpe psychologische beschrijvingen zijn hier in perfect evenwicht.

Tovertrucs

In ‘De Iljinskiklok’ (1964) komt een fragment uit Verhaal van een leven voor. Het is het moment waarop het over de dood van Tsjechov gaat en Paustovski vertelt hoe zijn vader hierdoor van slag was en ‘wegliep om zijn onherstelbare, ontroostbare verdriet in zijn eentje te verwerken.’ Ook toont hij hier zijn erkentelijkheid aan Tsjechov: ‘Hij wist welke weg naar menselijke edelmoedigheidheid, waardigheid en geluk voert, en hij heeft alle wegwijzers voor ons achtergelaten.’

Dat die wegwijzers nog altijd onverminderd helder zijn en menig beginnend schrijver tot voorbeeld kunnen dienen, blijkt uit De dertig beste verhalen, een door Hans Boland voor de prestigieuze Perpetua-reeks gemaakte keuze uit Tsjechovs proza, die van een verstandig nawoord is voorzien door literatuurwetenschapper Sophie Levie. Door de verhalen niet in een chronologische volgorde te presenteren, zoals Wim Hartog bij zijn Paustovski-vertaling wél doet, zie je dat de literaire kwaliteit van Tsjechovs werk van begin af aan van een zeer hoog niveau is. Er valt geen zwak moment aan te wijzen. Alles staat op zijn plaats en is verfijnd uitgewerkt.

Daarbij komt dat Boland, die een buitengewoon origineel vertaler is, al zijn tovertrucs uit de kast heeft gehaald om Tsjechovs Russisch in ‘zijn’ Nederlands te vertalen, waarmee hij de schrijver bijna altijd eer betoont. Dat hij daarbij soms eigenzinnig te werk gaat, is niet zo vreemd voor wie zijn Dostojevski- en Poesjkin-vertalingen kent.

Boland heeft soms de neiging om zinnen drastisch om te gooien en van een letterlijke vertaling af te wijken. Op die manier redigeert hij in feite het werk van de schrijver en vertaalt hij niet precies wat er staat. Veel andere vertalers zullen het daar niet mee eens zijn, maar je kunt tegen hun bezwaren in brengen dat Boland Tsjechov alleen maar soepeler leesbaar maakt, zonder hem tekort te doen.

Natuurlijk getuigt zo’n vrije manier van vertalen van een zekere arrogantie, maar omdat Boland als geen ander het zuivere en rijke Nederlands van Multatuli beheerst, komt hij tot mooie vondsten, waarmee hij zijn tweede stempel op Tsjechov drukt, zonder dat er sprake is van een Hans Tsjechov of een Anton Boland. Eerder is sprake van een Tsjechov Plus.

Corrupt en dronken

Alleen heb ik soms moeite met uitdrukkingen als ‘sodeju’ en ‘verdulleme’, omdat die eerder aan een pastoor uit een verhaal van Godfried Bomans doen denken dan aan notabele in het Rusland van de 19de eeuw. En wat te denken van het Engelse ‘so what?’ waar je ‘nou en?’ zou verwachten? Of van het ‘showen’ van een jurk, het ergens mee ‘kappen’, het ‘top is ze, helemaal top’ en ‘lulkoek’? En is ‘gabber’ niet wat te hip voor een verhaal dat de 19de eeuw ademt? Voor zulke eigenzinnige keuzes legt Boland in de meeste gevallen overtuigend verantwoording af in het soms vermakelijke, maar altijd intelligent beargumenteerde ‘Het Nederlands van Tsjechov’, dat tegelijkertijd met zijn Tsjechov-vertaling verscheen.

Tsjechovs verhalen in deze bundel zijn autonoom en zo ongelooflijk goed dat bijna geen enkele vertaler, hoe eigenzinnig hij ook te werk gaat, er afbreuk aan kan doen. Afgezien van het feit dat ze zich in de 19de eeuw afspelen, hebben ze de tand des tijds doorstaan wat betreft de intermenselijke verhoudingen die erin worden beschreven. De psychologische diepgang waarvan Tsjechov zijn belangrijkste personages voorziet is die van de wanhoop en de onvrede met het bestaan. Als geen ander maakt hij die gevoelens draaglijker met subtiele humor en een in onze tijd steeds schaarser wordende ironie, de zuurstof van de relativering.

In al deze ‘beste’ verhalen, geschreven tussen 1887 en 1903, klinkt Tsjechovs felle maatschappijkritiek door. Zo keert hij zich tegen de in Rusland tot op de dag van vandaag welig tierende corruptie van ambtenaren, handelaren en landheren, tegen zinloos geweld van dronkelappen en boeren, tegen antisemitisme, prostitutie en uitbuiting. Maar bovenal laat Tsjechov de lamlendigheid en besluiteloosheid zien van zijn adellijke landgenoten, die vaak niet weten wat ze met hun leven willen en hun dagen in ledigheid op hun landgoederen doorbrengen.

Middelmatig leven

Een treffend voorbeeld daarvan is de jonge vrouw in ‘Verloofd’ (1903), zijn laatste verhaal, waarmee de bundel begint. Zij wil ontsnappen aan de dagelijkse sleur en loopt, aangemoedigd door een artistieke logé uit Moskou, weg uit haar aanstaande huwelijk met de lanterfantende André, waarna ze haar familieleden in blijvende schande achterlaat. In Sint-Petersburg gaat ze studeren om uiteindelijk te concluderen dat ze een verkeerde beslissing heeft genomen. Maar eenmaal terug bij haar familie, is dankzij haar gedrag niets meer zoals het was.

‘De bisschop’ (1902), een verhaal over een bisschop die ineens ziek wordt en sterft, doet niet voor ‘Verloofd’ onder. Ook omdat Tsjechov hier op uiterst subtiele wijze de betrekkelijkheid van aanzien en een carrière laat zien.

In ‘Ionytsj’ wordt de draak gestoken met de zogenaamd kunstzinnige elite in de provincie aan de hand van een serieuze arts die verliefd wordt op de zelfingenomen dochter des huizes. Als ze een loopje met hem neemt en hem ongelukkig maakt, waarna hij in een humeurige brombeer verandert, struikelt ze zelf over haar matige talent. Alleen haar ouders blijven overeind, dankzij hun oppervlakkige levenshouding. En dan zijn er ook nog het honderd bladzijden lange ‘Mijn leven’ en natuurlijk ‘De vrouw met het hondje’, die over middelmatige levens gaan waaruit geen ontsnappen mogelijk is, wat je ook probeert. Voor velen, waar en wanneer ook, is het een dagelijkse realiteit, die je naar de keel grijpt zodra je ermee wordt geconfronteerd. In een wereld waar vooral onverschilligheid voor het lot van de ander bestaat, is Tsjechovs verlangen naar menselijkheid en fatsoen dan ook een verademing.

Hans Boland: Het Nederlands van Tsjechov. Pleidooi voor de emancipatie van de vertaalkunst. Pegasus, 160 blz. € 19,50