Recensie

Recensie Boeken

Er moet mijn vrouw wel iets zijn overkomen

Hans Erich Nossack Een aardige verzekeringsagent staat terecht voor de verdwijning van zijn vrouw. Hans Erich Nossack (1901-1977) beschrijft het vermoeden van eigen schuld. Maar waaraan?

Het onmogelijke bewijs van de Duitse schrijver Hans Erich Nossack (1901-1977) is het verslag van een fictieve rechtszitting. De personages zijn de verdachte, zijn advocaat, de officier van justitie en de president van de rechtbank; op de laatste rust de taak de orde te bewaren tijdens een proces dat met de minuut merkwaardiger wordt. In zekere zin zou je het publiek, dat zijn verbazing niet onder stoelen of banken steekt, als het vijfde personage kunnen zien. Het zesde personage is dan de vrouw van de verdachte, de grote afwezige; haar spoorloze verdwijning is de inzet van de rechtszaak.

De verdachte, een verzekeringsagent, is op het oog de behulpzaamheid zelve. Hij zegt niet te weten of hij schuldig is, maar een eventuele schuldigverklaring zou hij net zo goed accepteren als een onschuldigverklaring, want in beide gevallen ontstaat er zekerheid, en dat is volgens hem voor iedereen het beste. Hij laat zich door een advocaat bijstaan omdat de procedure dat nu eenmaal vereist, maar hij heeft hem gevraagd alle ‘advocatentrucs’ achterwege te laten. De enige onaanvaardbare uitkomst zou voor hem zijn dat de rechtbank hem ontoerekeningsvatbaar verklaart.

Kortom, de verdachte lijkt de waarheid zelfs nog ijveriger te willen achterhalen dan de rechtbank. Daar staat tegenover dat zijn houding zo vreemd is, dat de president hem herhaaldelijk van minachting van de rechtbank beticht. In antwoord op concrete vragen spreekt de verdachte in raadselen. Hij heeft zelf bijvoorbeeld het sterke vermoeden dat zijn vrouw naar ‘het niet-verzekerbare’ vertrokken is. U bedoelt de dood, vraagt de aanklager. Ik bedoel het leven, zegt de verdachte. Hij oppert ook de mogelijkheden dat ze in een leemte in de tijd verdwenen is, of ophield te bestaan doordat hij een tijdje niet meer aan haar dacht: ‘Waar blijft de mens als je niet meer aan hem denkt? Dat weet toch niemand.’ Hij is bang dat hij een misdaad heeft begaan, alle sporen heeft uitgewist en de misdaad vervolgens is vergeten.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat de verdachte een meesterlijke manipulator is, krijg je toch de indruk dat hij te goeder trouw is, en in dat geval praten de rechtbank en hij hopeloos langs elkaar heen. Dat taal tekortschiet en slechts tot misverstanden leidt, is duidelijk een thema van het boek. Een ander thema is het vermoeden van eigen schuld – maar schuld waaraan?

Hans Erich Nossack was een van de auteurs van de innere Emigration – schrijvers die Hitlers regime afwezen zonder het te ontvluchten, en het probeerden te overleven door niet de aandacht te trekken – en begon aan dit boek in 1952. De verdwijning van een dierbare, de vraag naar de eigen schuld en de overtuiging dat er geen woorden zijn om het ‘onvatbare’ uit te drukken, zijn in die context heel begrijpelijke elementen. De tekst die ze samen opleveren is echter behoorlijk raadselachtig, en de lezer die, misleid door de bewonderenswaardige helderheid van de stijl, een ontknoping als van een misdaadverhaal verwacht, zal zien dat dit in de eerste plaats een filosofische roman is. Dat het zogenaamde rechtbankverslag midden in een zin afbreekt, is in dat opzicht…