Recensie

Recensie Boeken

De wording van stroeve mannelijkheid

Gilles van der Loo In 2016 schreef Gilles van der Loo een boek als eerbetoon aan zijn overleden vriend Gijs Thio. Loo’s nieuwe boek, Dorp, gaat over een actueel thema: de wording van stroeve mannelijkheid.
Illustratie: Paul van der Steen

Gilles van der Loo is óf een schrijver met een groot hart, óf eentje die uitstekend kan doen alsof hij er een heeft. In zijn Het jasje van Luis Martín (2016) ging weliswaar niet alles goed, maar dat het eerbetoon aan zijn overleden vriend Gijs Thio oprecht was stond buiten kijf. En het vergt ook moed. Thio was dan tot op zekere hoogte een ondoorgrondelijk mens, Van der Loo was dol op hem en hij was niet bang om dat met de wereld te delen.

Voor zijn nieuwe roman Dorp stopte Van der Loo zijn goedertierenheid in een wel heel opmerkelijk personage: een ijsvogeltje. Als een engelbewaarder waakt het beestje over Melchior Bastiaanse, een man die we volgen van zijn jonge jaren tot zijn oudedag – vele tegenslagen rijker. En alleen daarom is het opvoeren van het bij tijd en wijle lyrisch gestemde ijsvogeltje slim en geslaagd: waar de roman met alleen die geplaagde Melchior waarschijnlijk al snel zou zijn verzand in monotoon zelfmedelijden, daar is hij nu op gezette tijden fris en liederlijk. Zelfs in tijden van pijn slaat het dier kwinkelerende zinnen uit en wordt er bijvoorbeeld gerept over pijn ‘die me omvatte als een kattenmuil en vonken voor mijn ogen strooide’. Iemand die zo formuleert krijg je er niet snel onder.

Wim Sonneveld

Het dorp uit de titel bevindt zich ergens aan de rand van Amsterdam. Vroeger, toen Melchior nog een kleine jongen was, bestond het ‘op zichzelf’, was het een soort soevereine idylle waar Wim Sonneveld zo een liedje over had kunnen schrijven. Het verval treedt op met het uitdijen van de grote stad, waar we een bekende literaire greep in herkennen: stampende, dampende machines dienen zich aan om de bescheiden nederzetting te verorberen als een inwisselbare guppy. Het omslaan van de voorspoed wordt nog eens versterkt door een incident waar Melchior bij betrokken is. In zijn nabijheid verdrinkt een leeftijdsgenoot en je krijgt een roman lang de tijd om na te denken over de vraag in hoeverre Melchior een dader is. In het dorp framen ze hem als een held, maar dat is overduidelijk niet het complete verhaal. De roerende, sprookjesachtige vriendschap tussen Melchior en het ijsvogeltje, die wel wat weg heeft van Astrid Lindgrens Karlsson van het dak, is dan ook plotsklaps voorbij. Het vogeltje ziet Melchior nog wel, maar andersom is het contact beëindigd.

Waar gaat Dorp eigenlijk over? Misschien wel over iets veel modieuzers dan op basis van voorgaande alinea’s wordt vermoed, namelijk over de wording van stroeve mannelijkheid.

Doornige oude man

Ik geef onmiddellijk toe dat je als lezer anno 2021 vermoedelijk wat eerder geneigd bent om een boek door deze bril te bezien, maar het is opvallend hoeveel momenten er in Dorp aan te wijzen zijn waarop er met verbaal of fysiek geweld boosaardige zaadjes in een jongen geplant worden of hoe vaak vrouwen en kinderen gebukt gaan onder het juk van mannen. Hier een corrigerende tik, daar een ontbrekende tand, daar een volstrekt gebrek aan empathie. Het is vaak het geval, maar het is opvallend genoeg ook een terloops element.

Dat Van der Loo ons toch vooral de gevolgen wil tonen, de uit de lijst gevallen levens, is het meest evident in het geval van Sunny en Adá, een moeder en een dochter die al in het begin van de roman bij Melchior aan komen lopen. Melchior, die als een doornige oude man de indruk wekt in een film van Clint Eastwood te willen acteren, wil eerst nog dat de twee zo snel mogelijk ‘oprotten’, maar ontdooit dan geleidelijk aan en hervindt iets van de menselijkheid die hij is kwijtgeraakt. Dat is natuurlijk een wat zoet gegeven en een platitude van heb ik jou daar, zo’n oude knar die smelt in het bijzijn van een – ook nog woorden verhaspelend – meisje, maar Van der Loo overspeelt er zijn hand niet mee, het blijft in de uitwerking binnen de perken. Dit komt vooral door zijn stijl, die, zo lijkt hij zich te hebben voorgenomen, nooit mag vervelen en altijd moet verrassen.

Pepermunt

Dat is wederom een moedig, sympathiek voornemen, al moet wel worden aangemerkt dat het de ene keer flink wat geslaagder uitpakt dan de andere. Over Ella, de onwenselijk kinderloos gebleven vrouw van Melchior, noteert Van der Loo dat ze ‘een vrouw werd die pepermunt uitdeelde aan andermans kinderen, die bolle wangen indeukte met de rug van haar hand’, en dat ze ‘na zo’n gesprekje met een zandbakwezen erg lang stil kon blijven’. Dat is raak. Of neem de beschrijving van Melchiors rituelen ten tijde van zijn moeders ziekte: ‘Wanneer hij kon reed Melchior er in de Simca naartoe, die hij om de tijd te doden waste bij een pompstation in Slotervaart. Bij het opwrijven van de chromen lijsten van de koplampen kon een wonderbaarlijke stilte hem overvallen, een gedachteloosheid. Een geluk, misschien.’

Dit zijn, los van dat ‘zandbakwezen’ zinnen van de klassieke snit, waarin vooral veel melancholie en smart tot uitdrukking wordt gebracht. Er spreekt ook beheersing uit, iets dat je over veel ander proza van Van der Loo helaas niet kunt zeggen. Bij een passage over een eenvoudig bezoek aan een garage buitelen zoveel namen over elkaar heen dat je vooral bezig bent met de vraag wie-wie is en val je al doende uit het verhaal. Iemand die steevast ‘een blindeman’ wordt genoemd heeft op een of andere manier toch door dat er nog iemand naast Melchior staat. Een pagina verder pakt diezelfde blindeman er een mobiele telefoon bij ‘en begint te bellen’. Tja, de techniek staat voor niks natuurlijk, maar je vraagt je toch af hoe iemand die niks ziet dat voor elkaar speelt, zo zonder bakelieten draaischijf. Ook is het opvallend waar de woorden ‘hoewel’ en ‘maar’ voor worden ingezet. ‘Hoewel Melchior met hem opgroeide is de blindeman zich met de jaren iets superieurs aan gaan meten.’ Alsof samen opgroeien een garantie is voor gelijkwaardigheid. ‘Sinds je er nog maar tachtig mag rijden zou het meevallen met het fijnstof, maar fijnstof is een werkelijkheid die hij na windstille dagen met geen mogelijkheid uit de nerven van zijn spinazie krijgt.’ Het is te vaak te vaag. Van der Loo is zeker een talent, maar wel eentje die nog helder moet krijgen waar je een boek kunt compliceren en waar je beter de voorrang kunt geven aan helderheid.