Waar was het wiegje gebleven?

Zwart paard ‘Je probeerde je gezicht steeds open te krabben.’ Deel 6: Handen als hoeven.

Illustratie Sharon Coone

Het begon met de kou in mijn botten, het klappertanden. Mijn T-shirt plakte aan mijn rug en borst. Ik wankelde het bed uit, langs het wiegje waarin mijn dochter vredig lag te slapen, de badkamer in. De vrouw in de spiegel was een bijna onherkenbaar verwilderde versie van mezelf: bleek en hologig, kletsnatte haarstrengen die als slangen van Medusa om mijn gezicht kronkelden.

Toen ze een paar uur later aanbelde, had ik mezelf zo goed als het ging opgefrist. Met een nat washandje had ik mijn gezicht en oksels gewassen, ik had iets droogs aangetrokken, mijn haren in een staart gebonden. Mijn dochter zat met een vieze luier en een romper vol melkvlekken te pruttelen in haar wipstoeltje.

De vrouw uit het park bleef vanuit de deuropening naar ons kijken. Een kort moment zag ik iets in haar blik wat ik niet anders kon interpreteren dan afgrijzen, maar ze herpakte zich zo snel dat ik begon te twijfelen aan mijn eigen waarnemingsvermogen. „Jij moet onmiddellijk terug naar bed,” zei ze. Ze pakte de baby uit het wipstoeltje en liep gedecideerd naar de badkamer terwijl ze mij min of meer de slaapkamer in duwde. Ik hoorde het water lopen, gespetter, geluidjes van mijn dochter.

Toen ik weer wakker werd was het stil en volkomen donker. Ze had de gordijnen dicht gedaan, ik had geen idee hoe laat het was en hoe lang ik had geslapen. Op mijn nachtkastje stonden een glas water en een ontvelde grapefruit. De lakens voelden droog, nieuw. Wanneer waren die in godsnaam verschoond? Mijn temperatuur leek gedaald maar mijn hoofd bonkte als een vrachtwagen over een straat met kinderkopjes. Toen ik mijn haar uit mijn gezicht wilde halen, kwam ik erachter dat mijn handen waren veranderd in hoeven. Ik hield ze dicht bij mijn gezicht en realiseerde me dat het sokken waren, iemand had sokken over mijn handen geschoven en ze vastgemaakt met elastieken.

„Je probeerde je gezicht steeds open te krabben”, klonk het vlak bij me. Ik draaide mijn hoofd opzij, daar zat ze, op een stoel naast mijn bed. Had ze daar al die tijd gezeten? Wat wás al die tijd? Waar was het wiegje gebleven, mijn dochter?

„Je was vreselijk aan het ijlen, je zei de hele tijd dat er een gezicht onder je gezicht zat. Je wilde het me laten zien, zei je, je wilde me de materialen laten zien waarvan het gemaakt was. Hier, eet wat.”

Ze pakte een glinsterend partje grapefruit tussen duim en wijsvinger en hield het vlak voor mijn mond. Ik draaide mijn gezicht weg. Wat ik ook deed, ik moest geen hap eten van die grapefruit.

„Je moet voor je laten zorgen”, zei ze, „zo gaat het niet.” Ze stond op, liep de kamer uit, trok de deur dicht.

Toen ik opnieuw wakker werd, waren de gordijnen open, daglicht stroomde de kamer binnen. Er stonden koffers naast mijn bed, overal lagen stapeltjes kleren, luiers, toiletspullen. In het wiegje naast me lag mijn dochter te slapen.

„We gaan op reis”, zei de vrouw uit het park.

Volgende week: Bezwete lakens.