Voor Russen geldt: wie zijn favoriete kunstenaar wil eren, koopt zijn huis

Herdenkingshuizen In Rusland bloeit het huismuseum. Het ene na het andere huis waar ooit een grote of kleinere beroemdheid woonde wordt ingericht als museum. Wat drijft de Russen?

In Moskou zijn in één pand twee appartementen als huismuseum ingericht, gewijd aan schrijver Michail Boelgakov. Het ene is een gemeentelijk museum, het andere een particulier initiatief. Boven: een deel van de tentoonstelling in het gemeentelijke Boelgakovmuseum.
In Moskou zijn in één pand twee appartementen als huismuseum ingericht, gewijd aan schrijver Michail Boelgakov. Het ene is een gemeentelijk museum, het andere een particulier initiatief. Boven: een deel van de tentoonstelling in het gemeentelijke Boelgakovmuseum. Foto Arthur Bondar

De Russische huismusea bloeien. Het zijn er vele honderden. Ze bestaan niet alleen in de hoofdsteden maar ook in dorpen en kleine steden. Het huismuseum, een voormalig woonhuis van een historische of culturele grootheid, bewaard en opengesteld als museaal monument, is niet een exclusief Russisch fenomeen. Maar in geen ander land zijn het er zoveel, nergens is het zo’n gekoesterd deel van het cultuurbezit. In de meeste Europese landen lijden ze een kwijnend bestaan. Je zou vermoeden dat de huismusea ook in Rusland, waar net als in Europa popularisering en politisering van de kunsten de dominante krachten zijn, zouden verdwijnen.

Maar dat is niet zo. In Moskou, een stad met meer dan vijftig huismusea, zijn er de afgelopen jaren verschillende nieuwe geopend, en oude opgeknapt. Ook in de Russische provincie openen nieuwe huismusea hun deuren. Soms komt het initiatief van specialisten, soms vanuit culturele instituties, soms van verzamelaars of mecenassen.

De kampioen is Alexander Poesjkin, die minimaal twintig aan hem gewijde huismusea heeft. Er is ook een museum gewijd aan de voedster van Poesjkin, en een museum gewijd aan de ouders van kosmonaut Joeri Gagarin. Er zijn vele Tolstojmusea. Er is een mooi en vrij bekend Tsjaikovskihuis in Klin, tussen Moskou en Sint-Petersburg, maar in de kleine stad Votkinsk, in de deelrepubliek Oedmoertië, is er ook een. Het is meer een Tsjaikovski-openluchtmuseum. Zijn vader was daar directeur van een staalfabriek, die vooral ankers produceerde voor de marine. Een ankerfabriek, op tweeduizend kilometer afstand van de open zee!

Een standbeeld van Boelgakov in het private museum. Foto Arthur Bondar

In Moskou op de Sadovaja-ringweg zijn in één pand twee appartementen als huismuseum ingericht, gewijd aan Michail Boelgakov, de schrijver van De Meester en Margarita. Beide beweren het echte Boelgakovhuis te zijn. Het ene is een particulier initiatief, het andere een gemeentelijk museum. De directeur van het gemeentelijke museumpje is een vriend van me. Hij is nog geen dertig. Een ongelofelijk ontwikkelde en beschaafde jongen, een gewone Russische intellectueel. Hij probeert de hele tijd de stammenstrijd te sussen. Het geeft niet dat er twee musea zijn, zegt hij, het hoort eigenlijk wel bij de schrijverspersoonlijkheid die Boelgakov was. Ja, waarom niet?

Tijdens de coronalockdown opende het Mandelstammuseum in Moskou zijn deuren. In de buurt van Pskov bevinden zich grote Poesjkinlandgoederen. Het zijn heiligdommen eigenlijk. Kortgeleden schitterend gerestaureerd en uitgebreid. In Serpoechov heeft een verzamelaar het huis gekocht van de kortgeleden gestorven underground kunstenaar Vladimir Nemoechin, en het opengesteld als museum.

Olga Rozanova

In de stad Vladimir tweehonderd kilometer ten oosten van Moskou, probeert een groep kunsthistorici het familiehuis van avant-gardekunstenaar Olga Rozanova te redden en open te stellen. Ze zijn erin geslaagd om een deel van het souterrain te kopen, „om in ieder geval een controlerend aandeel te hebben” in het grotendeels houten huis. Ze proberen nu financiering te vinden om een deel van de huidige huurders uit te kopen. Het huis is in erbarmelijke staat, de bewoners zijn zeker geïnteresseerd om met geld te verhuizen. Behalve dan de twee bejaarde zussen die er ook wonen, „die samenleven met een tiental honden die nooit uitgelaten worden”.

De krasse gezusters „gedragen zich uiterst agressief tegen hun buren”, vertelt Anna, de initiatiefnemer van het project. Zij probeert ook de overheid mee te krijgen, maar zelfs de meest welwillende ambtenaren zijn sceptisch. Toch informeert ze de verschillende overheden die zeggenschap hebben over dit huis en zijn bestemming, negen instanties slechts, over iedere stap. Dan kan er niet achteraf gezegd worden dat ze niet op de hoogte waren.

Het private Boelgakovmuseum-theater in Moskou. Foto Arthur Bondar

Elders zijn het juist wel de officiële krachten die de opleving van de huismusea bewerkstelligen. In Moskou opende het Tretjakovmuseum, een enorm nationaal museumcomplex met verschillende afdelingen door de stad, een nieuw huismuseum gewijd aan de beeldhouwer Anna Goloebkina. Ze zijn ook al jaren bezig met de ontwikkeling van het huismuseum van kunstenares Natalja Gontsjarova, de meest prominente vrouwelijke avant-gardekunstenaar.

Ontmoetingscentra

Wat drijft de opleving van deze ‘herdenkingshuizen’ – zoals ze meestal in Rusland worden genoemd?

Vaak zijn die huismusea centra van plaatselijke intellectuelen, of van een bepaalde subcultuur. In de stad Jelaboega, in de deelrepubliek Tatarstan, bevindt zich het grote huis van Nadezjda Doerova, een transgender uit het begin van de negentiende eeuw. Bij geboorte werd ze geïdentificeerd als vrouw, maar ze wilde als man door het leven gaan, deed mannenkleren aan, liet zich met ‘hij’ aanspreken en werd zelfs officier in het Russische leger. Hij onderscheidde zich als een belangrijke militair in de napoleontische oorlogen in Rusland. Later werd hij schrijver, publiceerde in de beroemde dikke tijdschriften, en correspondeerde en was bevriend met Poesjkin. Hij werd een voorvechter voor gelijke rechten tussen mannen en vrouwen. Het is een prachtig, ruim opgezet museumpje, geleid door vrouwen (zoals bijna alle Russische musea door vrouwen worden geleid) die de idealen van Doerova delen, en zijn nagedachtenis willen bewaren. Omdat Doerova bevriend was met Poesjkin is het voor de overheid gelegitimeerd om er geld aan te geven, en de plaatselijke feministen kunnen aandacht genereren voor hun voorganger.

Dit is vaak hoe dit soort huizen overleven, als kleine centra van gemeenschapszin. Burgers nemen het initiatief om zo’n huis te bewaren, vallen de plaatselijke overheden ermee lastig, en die hebben geen zin in het gedoe. Welk huis? Van wie? Wat moeten ze ermee. Zo’n huis is vaak een monument, afbreken mag niet helaas. Wat nu? En dan is er een stel figuren met brillen die er een museum van willen maken, ze hebben een plan dat bijna niks kost, het plaatselijke historische museum geeft wat oude meubels in bruikleen voor de inrichting. Vooruit. De drie medewerkers krijgen een salaris van 300 dollar per maand, en de ambtenaren schrijven een memo over cultureel erfgoed dat ze naar Moskou kunnen sturen. Iedereen tevreden.

Koude vloer

In Astrachan, een verschrompelde stad aan de Kaspische zee, staat het Chlebnikovhuismuseum. Velimir Chlebnikov is de grootste dichter van de Russische avant-garde, een dromer, dwaas, wiskundige, die mensen betoverde met zijn woordkunst, die een zacht bed als een affront beschouwde en dus op de koude vloer ernaast ging slapen. Hij stierf in 1924 van de honger. De oprichter, die San Sanitsj wordt genoemd, heeft twintig jaar gevochten om het museum te mogen openen. Hij heeft er ook een kleine bibliotheek gevestigd, een boekenkast eigenlijk, die mijn aandacht trok toen ik het huis jaren geleden bezocht. Kijk maar hoor, zei San Sanitsj. Verschillende mooi ingebonden deeltjes, handwerk. De bladzijden waren niet bedrukt, maar beschreven in een klein, maar zeer leesbaar handschrift. In de Sovjettijd waren er in Astrachan alleen Sovjetklassiekers te krijgen. Moeilijke poëzie, zeker van buitenlandse auteurs, was er niet. Dus spaarde San Sanitsj zijn kopeken, reisde om de zoveel jaar naar Leningrad, waar hij een goed contact had in de Saltykov-Sjtsjedrin-bibliotheek. Daar schreef hij de vijfdelige uitgave van Chlebnikovs poëzie over op dun papier, waarna hij twee dagen terugreed naar Astrachan, en alles in het net overschreef op goed papier en zelf inbond. Zo konden de poëzieliefhebbers en intellectuelen van Astrachan die poëzie daar lezen. Hetzelfde deed San Sanitsj met Ulysses van James Joyce, de ‘bijbel van de bourgeoiskunst’ zoals een Sovjetcriticus het ooit omschreef. In de jaren dertig was een groepje vertalers het gaan vertalen. Ze hadden een derde deel voltooid en gepubliceerd in een tijdschrift. Toen viel het iemand op en moesten de vertalers ophouden. Bibliotheken die dat tijdschrift hadden, scheurden de bladzijden gewijd aan Ulysses eruit. Maar de bibliotheek in Leningrad had een ongeschonden exemplaar, en dus trok San Sanitsj daarheen om het over te schrijven. In Astrachan konden mensen naar het huis van Chlebnikov gaan om dat boek te lezen.

De piano van Boelgakov in het gemeentelijke museum. Foto Arthur Bondar

Ik hield het boek in mijn handen en ik kreeg een Sovjetbrok in mijn keel. Uit een la in dezelfde kast haalde San Sanitsj een plastic bakje met een salade van wortelrasp, kool en mayonaise, en bood me die aan. Het was heel vies, ik heb het dankbaar opgegeten.

Naar binnen

Volgens de cultuurhistoricus Anatoli Strigaljov komt de Russische fascinatie voor het herdenkingshuis deels voort uit de afwezigheid van publieke monumenten. Tot de komst van Peter de Grote gold het bijbelse verbod op het maken van menselijke beeltenissen, gebaseerd op het vierde gebod van Mozes: gij zult geen beelden maken. Wie een belangrijk historisch moment wilde herdenken, zette een gebouw neer, een kerk, een toren, of een ander publiek complex. Let maar eens op, onder de tsaren zijn er heel weinig standbeelden opgericht, zelfs in Sint-Petersburg zijn het er maar een handjevol.

Maar de meest voor de hand liggende verklaring schuilt in de betekenis van de binnenruimte in de Russische cultuur. De redenen daarvoor zijn geografisch, klimatologisch en politiek. Door de onherbergzaamheid van het Russische land, de kou, en het gebrek aan politieke vrijheden, won de binnenruimte aan belang.

Wie aan de handgeschreven bibliotheek van San Sanitsj denkt en aan de sla, hoeft eigenlijk niet lang na te denken waarom de huismusea zo’n bloei doormaken. Als de zomerse hitte in Rusland erger wordt en de bossen branden, terwijl de politieke winter steeds kouder wordt, trekken de Russen naar binnen. De lagere ambtenaren die het toestaan of bevorderen begrijpen dat, ze hebben er zelf ook behoefte aan. En cultuursubsidies stijgen in tijden van politieke repressie. Tijdens de Stalinterreur schoten de cultuurgelden ook de lucht in. Dat geld moet ergens naartoe, het budget moet opgemaakt, en de ambtenaren maken zich zorgen. Dan is een huismuseum een relatief zorgeloze besteding. Dat mag cynisch klinken, maar dat is het niet. Dit is hoe vele generaties inwoners van het Russische land zich verdedigden tegen de buitenwereld. Dit is waarom het Russische intellectuele leven, dat zoveel interessanter en rijker is dan het Nederlandse, nog bestaat.

Sjeng Scheijen is slavist en schreef een biografie van Sergej Diaghilev en het bekroonde De avant-gardisten. Hij werkt nu aan een biografie van Hans van Manen.