Klassieke musici durven weer zelf te componeren

Componist-musici (en omgekeerd) Bob Dylan schrijft en speelt zijn eigen muziek. Zoiets is in de klassieke wereld een uitzondering. Toch is de combinatie bezig met een comeback. „Musiceren en componeren: het blijft een kruisbestuiving.”

Illustratie Jasmijn van der Weide

Musicus-componisten – of andersom – zijn terug van weggeweest. Een paar eeuwen geleden waren ze de norm, maar onder druk van maatschappelijke en muziek-politieke ontwikkelingen werd het fenomeen zeldzamer. Een curve die de laatste jaren weer opwaarts lijkt te buigen. Zeker nu de strenge voorwaarde van originaliteit het – in navolging van popmuziek – aflegt tegen authenticiteit, wagen meer klassieke instrumentalisten zich aan het scheppingsproces. „Zelden hoor ik mensen, zoals voorheen, moedeloos verzuchten dat alles al is gemaakt en geschreven”, zegt pianist-componist Thomas Beijer (33). „Momenteel heerst meer het optimisme dat met de vele bestaande invloeden – allemaal met een paar muisklikken binnen bereik – eindeloos nieuwe combinaties mogelijk zijn.”

Zelf nam Beijer privé-compositielessen bij Elmer Schönberger, maar wat hem betreft zouden conservatoria het vak weer verplicht op het menu mogen zetten voor uitvoerende musici. „Het is gek dat musiceren en componeren verschillende werelden zijn. In mijn ogen is dat zoiets als een acteur leren voortreffelijk Shakespeare voor te dragen, zonder dat hij de Engelse taal beheerst.”

Ik kan jaloers zijn op mensen van een popopleiding

Remy van Kesteren harpist-componist

Vooral de voortschrijdende specialisatie dreef musicus en componist uit elkaar. Die ontwikkeling begon in de negentiende eeuw. Tot die tijd keek de muzikale mens uitsluitend vooruit. Muziek was mode, een levende kunst vertolkt door de scheppers ervan. Mozart, Beethoven, Chopin en Liszt speelden eigen pianostukken. Violist Paganini schreef zelf de concerten waarin zijn virtuositeit ten volle kon schitteren. Na 1800 werd muziek ook museaal: meesterwerken van inmiddels dode componisten belandden op de lessenaars. Een ‘nieuw’ ras uitvoerders legde zich toe op vertolkingen van andermans werk.

Duistere werkelijkheid

In de hedendaagse muziek bleef de musicus-componist nog wel aanwezig. De Tweede Wereldoorlog bracht een nieuwe scheiding der geesten. De barbarij van het nazisme – nota bene in het hart van de Europese beschaving – betekende het bankroet van de ‘oude’ muzikale taal, vond een nieuwe generatie componisten rondom filosoof Theodor Adorno. Muziek moest niet langer behagen, zoals Mozart zei, maar een spiegel zijn van onze vervreemdende en duistere werkelijkheid.

Wat heb ik toe te voegen? is de vraag die meeklinkt bij elke noot die ik op papier zet

Peter Vigh saxofonist-componist

Voor Adorno bestond er een scherpe scheiding tussen de moderne componist, een waarheidszoeker, en musici als onderdeel van een cultuurindustrie die zich richtte op het tegendeel: het entertainen van de massa. Vertolkers waren in zijn ogen geen betrouwbare metgezellen van de componist. De ideologische soep werd niet zo heet gegeten als Adorno hem opdiende: geestverwanten Boulez, Maderna en Berio dirigeerden niet alleen eigen avant-gardewerk, maar ook klassieke meesters. Componist-dirigenten handhaafden zich sowieso beter dan instrumentalisten. Toch kwamen er tegen de stroom in nog wel enkelingen bovendrijven, zoals de pianist-componisten Britten en Bernstein. Niettemin bleven zulke multi-talenten zeldzaam, want ook de muziek kon zich niet onttrekken aan de specialisatiedrang in de samenleving.

Vrijer

Het vervagen van Adorno’s gedachtengoed was belangrijk voor de huidige opleving. Want wie in de tweede helft van de vorige eeuw waagde een mooie melodie te schrijven, werd vaak beschimpt en verdacht gemaakt. Dat benam veel musici de lust tot componeren. Nu de moderne muziek weer toenadering zoekt tot het publiek, nu de wetten niet langer in steen gebeiteld staan, voelen instrumentalisten zich vrijer om ook zelf te schrijven.

Als componist kun je los van de wereld raken. Daarom wilde ik ook musicus zijn

Peter Vigh saxofonist-componist

Bovendien vervloeien en vervagen genres, volgens het credo – naar verluidt van bandleider Duke Ellington – dat er maar twee soorten muziek bestaan: goede en slechte. Filmcomponisten en popmusici wagen de oversteek naar de klassieke oevers: Howard Shore (Lord of the Rings) en James Horner (Titanic) maakten soloconcerten en Paul McCartney een oratorium. Nieuwe generaties klassieke musici voelen zich ook vrij als autodidact te componeren. Want gestudeerd of niet, wie vraagt scheppende kunstenaars naar diploma’s? Hun werk moet voor zich spreken.

Voor het Jong Talent Festival op Schiermonnikoog schreef cellist Thomas Prchal (16) het strijksextet Duivelsvuur en ook pianist Eduard Preda (20) liet daar eigen werk horen. Echo’s uit het verleden – Janacek en Chopin – zijn herkenbaar, maar het is ontegenzeggelijk van henzelf. Het doet denken aan een tv-interview met schrijver Gerard Reve over het ontwikkelen van een eigen stijl. „Ach weet u wat het is”, zei hij, „in het begin probeer je een bewonderde romancier te imiteren. Dat lukt niet, en voilà daar klinkt je eigen stem.”

Saxofonist-componist Peter Vigh (34) herkent zich in de woorden van Reve, maar een stem vinden is niet altijd eenvoudig in de eeuwenoude traditie van klassieke muziek, met zoveel intimiderende meesterwerken. „Ik herinner me instrumentatielessen van componist Theo Verbey aan het conservatorium. Hij loodste ons door de historie van Haydn tot Stravinsky. Wij moesten orkestraties maken van werken die door de eeuwen heen voor piano solo waren geschreven. Een veelgehoorde opmerking van Verbey was: ‘Die componist zou dat nooit zo doen.’ Bij die woorden voelde ik het gewicht van de geschiedenis, mijn nietigheid tegenover het verleden. Wat heb ik toe te voegen? is de vraag die meeklinkt bij elke noot die ik op papier zet.”

Vigh werd al vroeg „op het componistenpaard gehesen”, toen hij als 15-jarige een stuk schreef voor de talentenjacht Op weg naar het Nieuwjaarsconcert van het Nederlands Blazers Ensemble. Hij zou aan het Amsterdamse conservatorium hoofdvak compositie gaan studeren, maar uiteindelijk koos hij voor de saxofoon. „Als componist kun je los van de wereld raken. Daarom wilde ik ook musicus zijn: voelen hoe papieren noten in werkelijkheid klinken en hoe mensen hierop reageren. Voor een musicus kan componeren je helpen stukken van binnenuit te begrijpen, maar andersom geldt dat in mijn beleving evenzeer. Het blijft een kruisbestuiving.”

Open speelveld

Een belangrijke leerschool vormde voor Vigh het arrangeren. De saxofoon is een relatief jong instrument, uitgevonden na de dood van grote componisten als Bach, Mozart, Beethoven en Schubert. Dus een saxofonist die hun muziek wil spelen moet die bewerken. Onlangs deed Vigh dat voor zijn Berlage Saxophone Quartet met de Goldbergvariaties. „Dat betekent in dit geval het proberen te doorgronden van Bachs grammatica, dus voortdurend nadenken over de betekenis van de noten, waarom ze staan waar ze staan.”

Arrangeren vormde ook een fundament voor boezemvrienden, saxofonist Ties Mellema (45) en harpist Remy van Kesteren (32). Behalve zelf bewerken, liet Van Kesteren ook vaak nieuw werk schrijven. „En dan bekroop me dikwijls de gedachte: wat een mooie passage, maar waarom staat hier een cis en geen c? Ik wilde die keuzes snappen. Daarom nam ik les bij componist Willem Jeths. Van hem leerde ik de beginselen, en ook dat componeren een ambacht is, dat je niet kunt zitten wachten totdat de inspiratie indaalt. Want dan gebeurt er niets.”

Ties Mellema debuteerde onlangs als componist met het album Reset van zijn duo Peax. „Componeren is geen flow of consciousness, zoals de film Amadeus over Mozart suggereert. Nou ja, misschien voor hem wel, maar voor ons stervelingen blijft het gewoon eindeloos pielen. Zo’n twintig jaar geleden voelde ik voor het eerst dat verlangen. Ik schreef vijf lange middagen achter elkaar en kwam beneden met iets wat ik best wel aardig vond. Maar meer dan twintig seconden muziek was het niet. Het besef trof me dat ik dus een keuze moest maken tussen podium of zolderkamer. Het musiceren was toen te leuk, dus het componeren sneuvelde.”

Door internet en globaliseren is componeren nu een open speelveld. Ik doe niet meer aan stijlen, ik maak muziek. Alle genregrenzen vervagen

Ties Mellema saxofonist-componist

Jaloers

Na verloop van jaren ontdekten Mellema en Van Kesteren dat ze aan klassieke stukken niet meer genoeg hadden. Ze begonnen met het componeren van eigen muziek, die zich niet laat onderbrengen bij een bestaand genre. „Ik begaf me in de popwereld waar componist en musicus samenvallen”, vertelt Van Kesteren. „Ik kan jaloers zijn op mensen van een popopleiding die vanaf dag één aan de slag moeten met de vraag wat hen drijft, wie zij zijn, waarom ze dit willen. Bij klassiek is dat de sluitpost, en heb je bovendien al die eeuwen van schoonheid die over je schouders meekijkt. Dan moet je nog maar durven.”

„Door internet en globaliseren is componeren nu een open speelveld”, ervaart Mellema. „Ik doe niet meer aan stijlen, ik maak muziek. Alle genregrenzen vervagen.”

Dat laatste beaamt pianist-componist Marion von Tilzer (53). Opgegroeid in de klassieke en moderne traditie belandde ze in de wereld van de freejazz, waar musici haar aanmoedigden eigen muziek te maken. Onlangs schreef Von Tilzer het album Ten Songs of Change, waarop ze speelt met celliste Maya Fridman. Zij herinnert zich uit haar begintijd nog de naweeën van het Adorno-tijdperk. „Twintig jaar geleden speelde ik een van mijn stukken voor piano en viool. Na het optreden kwam iemand naar mij toe en zei: ‘Wat een welluidende muziek, dat u dat durft.’ In diezelfde tijd wilde een musicus mij een compositieopdracht geven. ‘Maar het stuk moet wel moeilijk zijn’, voegde hij eraan toe. Dat was de teneur toen. Nu zitten we in een postmoderne tijd waarin alles kan en mag. Dat is mooi, maar ook zwaar voor sommigen. Want componeren is minder zwart-wit geworden.”

Von Tilzer heeft zich nooit tegen de naoorlogse modernisten willen afzetten. „Als pianist vertolkte ik hun stukken graag, dat was spannend. Ik herinner me een weekend in Zuid-Duitsland met de Amerikaan John Cage, die schoenen in de vleugel gooide en wasmachines en stofzuigers gebruikte. Maar het is niet mijn taal als componist: ik wil begrijpelijk zijn. En door ook te spelen, houd ik voeling met het publiek. Het blijft een ideale combinatie.”