Symbool van strijd

Kán dat? Het echte bosgevoel ondergaan in Nederland? Dat is de vraag die Herman Vuijsje deze zomer onderzoekt.

Aflevering 6: De Paasheuvel

Illustratie Jet Peters

De eerste keer dat ik de Paasheuvel bezocht, was ik zeven jaar. Mijn ouders stuurden me naar een kinderkamp van de al zo goed als opgeheven AJC, de socialistische jeugdorganisatie waarin ze elkaar hadden leren kennen. De Paasheuvel was het buitenverblijf van de AJC, verscholen in de bossen van Vierhouten.

Ik kende de plek uit de fotoalbums. Mijn vader in lange korte broek, mijn moeder in bloemetjesjurk, allebei met ziekenfondsbrilletje. Steevast omringd door een hele horde jongelui in net zulke kledij. „Pinksterkamp 1929” stond er in witte inkt bij, of „Bij de Zonnehal” of „Voor het Makkerhuis”.

Toen ik die gebouwen in het echt aanschouwde, maakten ze grote indruk op me, maar dan op de manier van een stelletje Aztekenruïnes. Ik vond het een beetje beangstigend. AJC’ers marcheerden in rijen achter vaandels aan. Alles in groepsverband. En met een zweem van natuurverering alsof de ware goedheid en zuiverheid daar in die bossen rondzweefde. Dingen die onwillekeurig deden denken aan het heile Welt-gedweep van de nazi’s. Hoe kon dat?

Pas veel later begon ik het een beetje te snappen. Hoe toonaangevend de Duitse Romantiek en de bijbehorende verheerlijking van het diepe Duitse woud was voor de opkomende socialistische beweging. Zelfs die traditie van pinksterkampen is van Duitse origine: ze is terug te voeren op Wäldchestag, als de stadslui zich op ‘pinksterdrie’ gingen verpozen in het bos.

Terwijl mijn ouders met linten rond de meiboom dansten, veranderde over de grens de betekenis die aan het bos werd toegekend. Het woud werd het symbool van strijd, waarbij de sterkste wint, tot heil van een gezonde en smetvrije volksgemeenschap. ‘Ongewortelde’ volken als de joden hadden er niets te zoeken. „Eeuwig woud en eeuwig volk horen bij elkaar,” aldus Reichforstmeister Hermann Göring.

Natuurlijk heb ik een bedevaart naar de Paasheuvel in mijn wandeltocht opgenomen. Op weg erheen herken ik het landschap dat dichteres Margot Vos verheerlijkte bij de inwijding in 1923: „Voor ’t donker bosch, aan de wijde hei/Machtig beschermd en toch eindloos vrij/Tusschen de rust en het naaldgeruisch/Rijst onze woning, ons makkerhuis. Maar van die idyllische ligging is weinig meer over: vijf minuten lopen door een buitenwijk van Vierhouten en je bent er al.”

Het Makkerhuis staat er nog, keurig opgeknapt, rijksmonument, maar de zolder waar mijn ouders sliepen, werd tot kantoor van ‘Heidepark Veluwsch Karakter’. Het openluchttheater ligt er overwoekerd bij en de Zonnehal maakt een naargeestige indruk, verweerd en afgebladderd.

Dat is niet de enige overeenkomst met een ander rijksmonument, dat ik een paar dagen eerder bezocht: de Muur van Mussert in Lunteren, waar de NSB zijn landdagen hield, met ‘hagenspraken’ van de Leider. Meestal ook met Pinksteren. Ook op een heuvel diep in het woud, de Goudsberg. Ooit een Germaanse cultusplaats, zoals op de Paasheuvel eertijds paasvuren werden ontstoken. En er was gedoe met fakkels, net als op de Paasheuvel, waar ’s avonds fakkeloptochten optrokken door het stille bos. Zoek de verschillen.

De Mussertmuur is ongetwijfeld het meest verwaarloosde rijksmonument van het land. Fout nationaal erfgoed, het wordt in feite ‘gedoogd’. Nadat ik me toegang heb verschaft door tussen een half openhangend hek door te sneaken, zie ik een licht gebogen stenen wal, on-Nederlands groot, met stalen balustrade. Steen en staal. Afbrokkelend, maar toch imponerend.

De weide waar de massa de hagenspraken aanhoorde, ligt er romantisch bij: het is een mooie halfronde verzamelplek, omzoomd door boompartijen, vooral zilversparren. Je reinste Waldidylle.