Opinie

NRC en de Spelen: niet meer elke uitslag telt, maar ‘we blijven wel sportgekken’

De ombudsman

Het is de enige redactie waar nu twee televisies permanent aanstaan – met of zonder geluid, maar altijd voorzien van commentaar van collega’s die aan het bureau intussen hun stukken zitten te tikken. Sportredacteuren dragen geen noise cancelling koptelefoons. Je moet namelijk alles in de gaten houden – net als in politieke verslaggeving.

Het zijn bovendien hoogtijdagen, nu de Olympische Spelen in Tokio de eindstreep naderen. De achtkoppige redactie Sport moet dat vierjaarlijkse evenement dit keer doen met één man ter plaatse, door corona-beperkingen. Die waren zo strikt dat het sturen van meer verslaggevers, zoals gebruikelijk, geen zin had; voor het maken van verhalen buiten het sportveld om, was geen ruimte.

Nu zit in Tokio voor NRC alleen redacteur Dennis Boxhoorn, die zijn vingers blauw tikt met reportages over atletiek, roeien en andere spektakelstukken. Afgesproken was, zegt chef Sport Rob Schoof: niet alles doen, niet achter elke winnaar of medaille aanrennen, maar kiezen voor „tien pareltjes”. Die moeten „de diepere laag” van het sportnieuws tonen – voorbij de puntentelling.

Die aanpak is nu uit nood geboren, maar past wonderlijk goed bij de nieuwe aanpak die de sportredactie de laatste jaren volgt. Minder agenda-nieuws, minder streven naar compleetheid – en meer eigen keuzes, onderzoek en accenten. Het is een aanpak die zich heeft bewezen, maar die sommige trouwe lezers nog knelt als een nieuw paar schoenen.

Maar eerst over die nood.

Ook Sport had het moeilijk, de afgelopen anderhalve corona-jaren. Geschrapte toernooien, competities en evenementen – de sportwereld, die draait om een vaste cyclus, kwam vorig voorjaar krakend tot stilstand. Dat betekende ook voor NRC aanpassingen in de krant. Het aantal sportpagina’s ging terug, het vaste katern op maandag verdween.

Toch was corona voor de sportredactie van NRC een minder harde dreun dan elders, vermoedt Schoof, omdat de redactie al gewend was anders te werken door die ingrijpende verschuiving in aanpak en accent: minder kort nieuws en wedstrijdverslagen, méér achtergrondstukken en onderzoeksjournalistiek.

Hij vat dat zo samen: „We zijn opgeschoven van sportjournalistiek naar journalistiek óver sport en de sportwereld.” Schoof is sinds vier jaar chef Sport en werkte daarvoor bij een aantal nieuwsredacties en als correspondent in India. Zijn plaatsvervanger Rogier van ’t Hek (oud-hockeyer, met Nederland wereldkampioen 1998 in Utrecht) heeft een brede achtergrond als sportredacteur.

De pagina’s vullen was dan ook geen probleem, zoals met een onderzoek naar de financiën van het Nederlandse profvoetbal – een onderwerp dat ooit waarschijnlijk niet door sportjournalisten maar door onderzoeksjournalisten zou zijn aangepakt (waarna de sportcollega’s langs de lijn de kritiek erop konden incasseren).

Voor de verschuiving zijn goede argumenten. Het gargantueske aanbod aan sportnieuws online en op tv maakt bijhouden van elke uitslag minder urgent. Bovendien, zoals de vorige hoofdredacteur tegen Van ’t Hek zei: NRC kan niet zonder sport, maar niemand leest NRC alleen om de sport – zoals ‘sportkranten’ als het AD, De Telegraaf of de Volkskrant.

De vraag is dan: wat kan NRC nog toevoegen? De nieuwe aanpak is het antwoord. Resultaat: de redactie bracht onderzoek én primeurs over hersenschade, racisme, en het EK-fiasco van het Nederlands elftal. Bij Sport traden nieuwe collega’s aan die hun sporen hadden verdiend in andere takken van journalistiek – opmerkelijk, want ‘de sportjournalist’ gold lang als een aparte soort, dichter tegen de theaterrecensent aan dan tegen de nieuwsjager.

Ten onrechte. Sport heet niet voor niets ‘de belangrijkste bijzaak’ voor een samenleving. De euforie over de in Nederlandse driekleur gewikkelde Sifan Hassan bewijst opnieuw hoe maatschappelijk ingebed sport is. Zie ook de onrust over de transgender gewichtheffer – die oneerlijk sterk zou zijn maar bij wijze van anti-climax in het stof beet.

Nu is de journalistieke trend naar eigen accenten en onderzoek veel breder en ook in NRC alom te herkennen. Alleen, de omschakeling is extra groot voor sportjournalistiek, die van oudsher juist draait om uitslagen, lijsten en overzichten.

Winst is dus ook verlies – om een Cruijffisme te proberen. De nieuwe lijn leidt soms tot plagerijtjes over de ‘ivoren toren’ van NRC. Vaker klinkt tandenknarsen van lezers die hun club wéér niet in de krant terugzien. Geen wonder, want dit heeft sport dan weer gemeen met kunstverslaggeving: sterke identificatie van lezers met een club (of artiest) én de behoefte om verrichtingen van hun helden te herbeleven door de ogen van een journalist. Voor een fan is elke niet-verslagen wedstrijd (of niet-gerecenseerd album) van zijn club of idool een affront.

Uiteraard schiet de redactie als het erop aankomt dus alsnog „in de wedstrijdmodus”, zegt Schoof, zeker met de Spelen. Maar de supporter die nog van elke wedstrijd een verslag verwacht, zal teleurgesteld raken. „Dingen durven missen is een van onze mantra’s”, aldus Schoof. Op die manier komt er tijd en energie vrij voor wat hij en Van ’t Hek zien als hun missie: de sportwereld inzichtelijk maken. Wat je niet kunt googelen.

Maar voor sportliefhebbers die vrezen zich nu elke dag door een bord diepgravende spitwerk te moeten heen-eten: het gaat altijd om de sport. Dagelijks dringt op mijn werkplek (we zijn buren op de redactie) nog altijd een niet aflatende, even opgewonden als technische woordenstroom door over spelers, doelpunten, trainers, opstellingen, transfers en tactiek. „We blijven natuurlijk wel sportgekken”, zegt Schoof.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.