Dna-test voor de perfecte liefde: we matchen zelfs meer dan 78 procent!

Liefde van de toekomst Antropoloog schrijft deze zomer over liefde en seks in de toekomst. In deze aflevering: de perfecte match vinden dankzij een dna-test.

Illustratie Jasmijn van der Weide

‘Ding-dong’, mompelde de laptop, zomaar op een dinsdagochtend. „We hebben de uitslag!”, riep ik, seconden erna. Er klonken snelle stappen, van zijn werkplek naar de mijne.

Daar was, eindelijk, de langverwachte digitale post voor mijzelf en mijn geliefde.

Hij schoof een stoel bij; ik klikte ongeduldig meerdere malen op het icoontje dat niet open wilde – tot er een document van dertig digitale kantjes zichtbaar werd op het scherm. Daarmee haalden we niet alleen gedetailleerde bevindingen over ons dna op, maar ook een gemengd gevoel van triomf en opluchting.

Want hier stond, in zwart en wit, het wetenschappelijk bewijs voor onze liefde, bewijs dat gebaseerd was op een laboratoriumanalyse van ons speeksel, de hormonen in ons lijf, onze ‘biological compatibility’ en dat toonde ontegenzeggelijk aan: hij en ik, wij passen bij elkaar.

Gejuich uit twee monden tegelijk: we matchen zelfs meer dan 78 procent!

Zie je wel!

Dit klopt!

Wij kloppen!

Let wel: vijf weken eerder klonken we stukken sceptischer over dit experiment.

We hadden beiden een wattenstaafje langs de binnenkant van onze wang gehaald, keurig volgens de instructie van het ‘DNA matching for couples’-pakket. Terwijl we ons speeksel in glazen buisjes stopten en die in een verzegelde envelop opstuurden naar een adres in Canada, waarschuwden we elkaar maar vast voor de pertinente onzin van de toekomstige uitslag. „Zo’n statisch onderzoek zegt niets”, twijfelde de één. „Je hormoonbalans is maar een momentopname.” En de ander, geruststellend: „Tuurlijk. Alsof je dna überhaupt alles bepaalt in de liefde, alsof de sociale omgeving en de ervaringen die je daarin opdoet geen rol spelen!”

Daarbij waren we al een behoorlijke tijd samen hartstikke gelukkig, vertelden we elkaar nog maar eens, daar zou zo’n onderzoek toch zeker niks aan veranderen?

Nou, wél als het ligt aan de producenten van toekomstige datingtools.

Experts geloven dat dna-matching in de toekomst een van de meestgebruikte instrumenten voor geliefden zal worden om samen te komen of te blijven. Daarbij laat je jouw dna vergelijken met dat van een (potentiële) partner om te kijken of jullie genetisch wel goed bij elkaar passen. Handig als je twijfelt over de relatie, of als je wilt weten of het wel een goed idee is om samen kinderen te krijgen. Als er nog geen geliefde in zicht is, vergelijken dna-koppelaars jouw genetische materiaal met dat van andere alleenstaanden in de digitale database, zodat je leert wie daarvan bij je passen – en wie niet.

Fysiek daten zal sowieso snel tot ons verleden behoren. Volgens schattingen ontmoet in 2040 zeventig procent van de koppels elkaar online. Niet meer via het tijdsintensieve swipen en tekstberichtjes uitwisselen dat we nu doen, maar middels efficiëntere datingapps die gebruikmaken van video en stemgeluid, of die vast algoritmisch voorselecteren wie er bij je past – een selectie die niet alleen is gebaseerd op je voorkeuren voor uiterlijke en innerlijke kenmerken, maar bijvoorbeeld ook op een analyse van tweets die je de wereld instuurt. Of, dus, op je genetisch materiaal, zoals in de test die ik uit liet voeren.

Fysiek daten zal sowieso snel tot ons verleden behoren. Volgens schattingen ontmoet in 2040 zeventig procent van de koppels elkaar online

Die bestond uit twee delen. Mijn partner en ik moesten, ieder apart, online antwoorden op een psychologische vragenlijst (‘ik doe aan risicosporten’; ‘in lange relaties raak ik seksueel verveeld’; ‘ik voel me ingeperkt in vrijheid als iemand mij iets verbiedt’). Daarnaast werd ons wangslijm onderzocht op actieve genen in ons respectievelijke immuunsysteem (hoe meer verschil hoe beter, aldus het onderzoekslab, want: hoe sterker ons nageslacht), op de aanwezigheid en kwantiteit van bepaalde hormonen, en op de aanwezigheid van variabelen van bepaalde enzymen, zoals het COMT-genoom, dat helpt dopamine af te breken. Afhankelijk van welke variant van dat genoom je bij je draagt, gaat dat afbreken snel of minder snel, en daarmee kan bepaald gedrag worden verklaard: bij de ‘MET’-variant blijft er bijvoorbeeld relatief lang veel dopamine achter in je brein na een spannende gebeurtenis, en daardoor zou de drager hoger scoren op stress. Wat wij, enigszins tot onze verbazing, allebei bleken te doen, maar daarover later meer.

Eerst moet er namelijk hoognodig een lans worden gebroken voor de robotcupido’s van de toekomst. Toegegeven, gekoppeld worden door een computer en een laboratoriummedewerker klinkt wat minder romantisch dan de aloude verhalen waarin twee mensen elkaar op straat of in de supermarkt tegenkwamen, hun blikken in elkaar voelden vasthaken, en ervoeren dat een niet te negeren kracht het hun onmogelijk maakte om zomaar verder te wandelen, verder te léven, zonder die ander.

Maar, stellen befaamde neurofilosofen als de Canadees-Amerikaanse Patricia Churchland (Universiteit van California) en de Amerikaanse biologisch antropoloog Helen Fisher (Rutgers-universiteit): verliefdheid is nooit iets magisch of zelfautonooms geweest, al willen mensen dat graag geloven: het is pure biochemie. Of het nou je brein is dat voorschrijft op wie je valt, of een computer: je vrije wil – voor zover die bestaat – had er nooit wat mee te doen, en sprookjes bestaan niet, óók niet in de liefde.

In India erkennen ze dat al. Daar vervangen dating-algoritmes steeds vaker de koppelfuncties van familieleden, of de tijdsinvesteringen van zoekende singles. Dat doen die algoritmes behoorlijk goed, blijkens de duizenden millennials die er de laatste jaren een passende partner door vonden. En geef zoekende singles eens ongelijk dat ze een computer als koppelaar verkiezen boven hun betweterige moeders, ja zelfs boven hun eigen intuïtie: wij mensen weten vaak helemaal niet wat we willen in de liefde. We worden hoteldebotel verliefd op mensen die razend aantrekkelijk zijn, maar totaal niet bij ons blijken te passen. We doen oprechte pogingen om onze behoeften op het gebied van de liefde in datingprofielen te omschrijven, maar kennen die lang niet altijd, of durven er niet eerlijk over te zijn tegen anderen, soms zelfs niet tegen onszelf.

Slimme machines zouden niet je uitspraken, maar je acties kunnen koppelen aan potentiële partners en zodoende kunnen zoeken naar iemand die werkelijk bij je past: ze kunnen letten op hoelang je naar bepaalde profielen staart, wat voor online nieuws je leest, in wat voor groepsapps je zit, en hoe actief je beweegt volgens je stappenteller. Of ze lezen aan de hand van je genen af wie er biologisch bij je past: er bestaan momenteel verschillende partijen die – voor een paar honderd euro per persoon – mensen koppelen op basis van hun dna.

Waarvan akte.

Het kostte mij, meer dan geld, vooral moeite om de oncomfortabele wetenschap te onderdrukken dat wildvreemde laboratoriummedewerkers allerlei dingen zouden kunnen aflezen aan mijn gezondheid of persoonlijkheid, die ik niet wist en misschien ook niet wilde weten.

Daarbij kon ik niet ontkennen dat ik het ongemakkelijk zou vinden als de vergelijkende dna-analyse zou uitwijzen dat mijn partner en ik, biologisch gezien althans, een matige match zijn. Het biologische gedeelte van de test ondergaan, gaf me een machteloos gevoel. Na de opgestuurde envelop restte mij wekenlang wachten op het liefdesoordeel. Wat nou als onze immuniteitstest zou uitwijzen dat het kind dat we samen maakten zwak van gestel is? En wat nou als de uitslag over onze ‘hormonale compatibiliteit’ negatief zou uitvallen; zou dat me doen twijfelen aan de houdbaarheid van deze relatie tijdens een eerstvolgende ruzie?

Het uitslagrapport had statuur, maar alleen daar waar het me bevestigde in wat ik zelf al dacht te weten

Ik wist niet precies wat te verwachten van de uitslag en mijn gevoelens daarbij, maar wat ik in elk geval niet verwachtte, is dat de toekomst van daten een ervaring is die nog het meest doet denken aan het lezen van een horoscoop in een damesblad – zo een met een tekstregel of vijf per sterrenbeeld, en een symbooltje erbij voor de kreeft, de vis, de tweeling.

Ook aan het lezen van die tekstjes begin je veelal sceptisch. Weinigen die geloven dat iedereen die in dezelfde maand geboren is, karakterologisch hetzelfde in elkaar zit en ook nog eens dezelfde, wereldse uitdagingen tegenkomt. Maar eenmaal lezend stuit je op iets dat – verdomd! – toch een beetje herkenbaar lijkt. Aha! Een moeilijk gesprek op het werk! Dat is inderdaad gebeurd, gistermiddag! En dat treurige gevoel, dat je vanochtend overviel tijdens het smeren van de boterhammen? Kan volgens de horoscoop verklaard worden door de ingewikkelde stand van een planeet, en dat is dan toch ineens een geruststellend idee: it’s not me, it’s the universe. Zo dreigt de horoscoop bijna geloofwaardig te worden… tot deze iets beschrijft wat ons niet zint. „Je wilt graag iets en dramt daarin door”, staat er dan bijvoorbeeld in de laatste zin, maar nee, dat klopt natuurlijk van geen kant – onzin, die horoscopen.

Zo ongeveer verliep ook mijn ervaring met het dna-matchen. Het uitslagrapport had statuur, maar alleen daar waar het me bevestigde in wat ik zelf al dacht te weten. „Ja hoor, zie je wel, op pagina acht: ‘You are extremely, physically attracted to each other’, en dat komt dus, schat, door onze hoge HLA biocompatibility”, en inderdaad, dat we het zo fijn hadden samen kon nu officieel worden verklaard doordat we hoog scoorden op oxytocine-compatibiliteit!

Maar bij het lezen van een van de laatste pagina’s van het rapport, doofde mijn enthousiasme weer. Daar scoorde mijn relatie een schamele 63 procent op iets dat te maken had met stressverwerking. Mijn partner en ik zouden, aldus het rapport, allebei risico-avers zijn, weinig exploratief en slecht om kunnen gaan met spanning. Laten we elkaar nu hebben ontmoet tijdens het rotsklimmen, en allebei beroepen hebben gekozen die behoorlijk wat stressmanagement en reislust vereisen.

Gelukkig maar, verzuchtten we, dat we ons kind al ver voor dit experiment hadden gemaakt.