Foto Andreas Terlaak

Theatermaker Nastaran Razawi Khorasani: ‘In het lichaam zitten weinig leugens’

Interview Theatermaker en acteur Nastaran Razawi Khorasani maakt voorstellingen waarin het lichaam als belangrijkste communicatiemiddel wordt ingezet. „Hoe sta of loop je in de achtste groep?”

In het werk van Nastaran Razawi Khorasani staat lichaamstaal vaak centraal. In meestal woordeloze voorstellingen proberen personages zich een houding te geven ten opzichte van de wereld en elkaar. Dit levert vaak ontroerende én oergeestige onhandigheid op en ongemak dat in iedere beweging met grote precisie wordt belichaamd. Haar nieuwste voorstelling Songs for no one is alleen al daarom een spannende toevoeging aan haar oeuvre: dit stuk staat juist bol van de taal, met een script van 55 pagina’s.

Razawi Khorasani werd in het noorden van Iran geboren en vluchtte op haar zesde met haar ouders naar Nederland. Ze maakte kennis met het theater bij het Onafhankelijk Toneel, waar ze op haar zeventiende meespeelde in een theaterdansvoorstelling. „Ik had voor die tijd vooral hiphopdans gedaan”, vertelt ze. „Werken met Ton Lutgerink en Els van der Jagt bij het Onafhankelijk Toneel was voor mij een openbaring: toen begreep ik voor het eerst wat creativiteit was, en toen wist ik dat ik dit met mijn leven wilde gaan doen.”

Na haar opleiding als performer aan de Toneelacademie Maastricht richtte ze met jaargenoot Davy Pieters het performancecollectief Kobe op. „Davy en ik maakten al op de opleiding ieder jaar samen voorstellingen. We vonden elkaar in een focus op beeldend, fysiek theater. We richtten ons meteen op voorstellingen buiten het theater, en na veel werk op locatie werden we steeds meer door grote dancefestivals gevraagd, zoals Mysteryland. Onze esthetiek was in die tijd een soort volwassen speelgoedland: ergens tussen schattig, horror en anime in. We werkten met bombastische kostuums van de hand van vormgever Esmée Kulik. Iedere performer trok zo’n pak aan en dan gingen we uitzoeken hoe die wezens zich tot elkaar moesten verhouden.”

Het is vast een heel andere ervaring om op een dancefestival te spelen dan voor een theaterpubliek.

„Ja, maar dat hebben we bewust opgezocht. De performances werden steeds meer theatrale concerten – we richtten de Kobe Girl Band op en ontwikkelden muziek samen met componist Jimi Zoet. De stijl was satirisch: we staken de draak met de codes van pop en hiphop, met dertien performers tegelijkertijd. Het werd steeds groter. Op een gegeven moment zijn we bewust even gestopt om te bevragen wat we er artistiek nog uit wilden halen. Na een jaar nadenken wilden we er toch mee door, maar meer als ontwerpers van een evenement. De uitvoering begon echt te veel werk te worden. We hadden nieuwe plannen gemaakt met Mysteryland – en toen legde corona alles stil.”

Tegelijkertijd heb je ook solo flink aan de weg getimmerd als theatermaker.

„Ik kreeg bij Maas Theater en Dans de kans om een voorstelling op Oerol te maken. Dat werd Play it back, een voorstelling over echt en nep, en over de focus op de buitenkant, over hoe alles wat we doen een imitatie is van iets anders. In gesprek met artistiek directeur Moniek Merkx hebben we toen besloten een Subsidie Nieuwe Makers aan te vragen waardoor ik me twee jaar bij Maas kon ontwikkelen – op voorwaarde dat ik tussen jeugdtheater en volwassen theater mocht blijven laveren.”

In Iran is de kunst superpolitiek, hoewel het niet politiek mag zijn, en het publiek snapt al die codes

Hoe onderscheidt je solowerk zich van het werk dat je met Pieters maakt?

„Met Kobe maken we werk buiten de geijkte podia om. In mijn eigen werk zoek ik de magie van de theaterzaal juist op. Daarbij zijn choreografie en muzikale dramaturgie terugkerende elementen. Vaak vertrek ik vanuit een bepaald verlangen. Mijn voorstelling Uniform begon bijvoorbeeld met mijn fascinatie voor volksdansen, ik heb dat in mijn jeugd ook veel gedaan en kijk daar nog vaak naar op YouTube. Vanuit die vorm begon ik na te denken over collectiviteit en individualiteit, over conformisme en ergens bij willen horen.

„Het gaat eigenlijk altijd wel over menselijk gedrag, en hoe iemands psychologie in lichaamstaal tot uiting komt. Hoe staan we in de wereld en hoe ontwikkelen we ons emotioneel? Bye bye baby, dat ik na Uniform maakte, was ook echt een heel fysieke voorstelling, over de overgang van de basisschool naar de middelbare school, over afscheid nemen van een fase in je leven. Daarvoor heb ik heel veel elf- en twaalfjarigen geobserveerd: hoe bewegen die lichamen zich door de ruimte, hoe sta of loop je in de achtste groep en hoe in de brugklas? Er zitten zo weinig leugens in het lichaam, het vertelt zo veel, het is minder mysterieus voor de buitenwereld dan we zouden willen.”

Welk verlangen ligt er aan de basis van Songs for no one, je nieuwe voorstelling?

„Het idee voor de voorstelling ontstond toen ik twee jaar geleden in Iran was. Het is zo’n krankzinnig, tegenstrijdig land: gesloten én open, veel én weinig regels, een zwaarmoedige cultuur met veel humor. Je ziet daar theatervoorstellingen die behendig om censuurwetten heen moeten bewegen, de kunst is superpolitiek, hoewel het niet politiek mag zijn en het publiek snapt al die codes, dat is enorm fascinerend. Ik was daar met Salomé, mijn dochter, en als ik haar dan met haar neefjes en nichtjes zag spelen kon je gewoon aan haar lichaamstaal zien dat zij in vrijheid is opgegroeid en die andere kinderen niet. Zo ontstond het idee om juist die kinderen een podium te geven, omdat ze dat daar niet hebben. Uiteindelijk ben ik met twee kinderen in contact gekomen met wie ik beveiligde telefoongesprekken voer. Dat werkt beter dan met hen in Iran werken, want dan kijkt de staat steeds mee.

„Ik moest leren de neiging te onderdrukken om de gesprekken te veel te sturen en niet meteen te vragen: vertel maar over hoe erg je leven is. Vragen tussen neus en lippen door werken het beste. Vooral bij het meisje van elf wordt het vanzelf politiek omdat ze dan al een hoofddoek moet dragen. Het is fantastisch hoe het kinderlijke en het politieke bij hen door elkaar loopt: dan heb je het plotseling over onderdrukking terwijl ze Fortnite aan het spelen zijn of over hun fascinatie met slijmspeelgoed vertellen.”

Lees ook dit interview met Eline Arbo: ‘Ik geloof echt dat theater de wereld kan veranderen’

Hoe verwerk je dat materiaal tot een voorstelling?

„Het tekstuele gedeelte van het stuk bestaat voor het grootste deel uit hun voice-over, plus ondertiteling natuurlijk. Ik sta zelf op het podium en heb ook gezongen duetten met hen: hun stem op band, ik live. We zijn op dit moment tijdens de repetities op zoek naar hoe we dat beeldend kunnen maken: hoe maak je de tekst onderdeel van het beeld? Die kids moeten gaan leven, je moet ze voor je kunnen zien. We werken met twee verrijdbare decorstukken waar de teksten op geprojecteerd worden. Ik ben zelf ook onderdeel van die choreografie: soms verdwijn ik achter de objecten, soms sta ik er juist voor. Zo onderstrepen we dat het ook over zichtbaarheid en onzichtbaarheid gaat.

„Bij de Iraanse verkiezingen van twee maanden geleden las je in de media steeds dezelfde drie beschouwingen opnieuw en opnieuw, omdat er maar een handjevol westerse journalisten in Iran is. Dat maakt deze voorstelling ook extra waardevol: ik vind het belangrijk om andere geluiden te laten horen.”

Songs for no one gaat op 7 aug. in première op Theaterfestival Boulevard, 5 t/m 12 aug. in Den Bosch. In: www.festivalboulevard.nl