Reportage

Iedereen is heel erg zichzelf bij fotograaf Henri Cartier-Bresson

Tentoonstellingen in Parijs Henri Cartier-Bresson is niet alleen de fotograaf van ‘het beslissende moment’, maar ook van ‘het onbewaakte moment’. ‘Zijn mensen kijken je nog altijd direct aan, niet gevangen in de tijd.’

Henri Cartier-Bresson: Studentenprotest op de Boulevard St Michel in Parijs, mei 1968
Henri Cartier-Bresson: Studentenprotest op de Boulevard St Michel in Parijs, mei 1968

Kijken, niet gezien willen worden – halverwege de jaren zeventig reisde de Amerikaanse fotograaf Annie Leibovitz, jong en aanstormend, naar Parijs om een portret te maken van Henri Cartier-Bresson (1908-2004), voor een serie in Rolling Stone. Haar idool had niet op haar brief geantwoord, dus dan maar zo – op de gok liep Leibovitz het kantoor van Magnum Photos binnen, het vermaarde fotografenagentschap dat in 1947 mede door Cartier-Bresson was opgericht, en hij bleek nog aanwezig ook. De grote man bleek een hoffelijk persoon, hij vroeg haar met hem op te lopen naar huis en nodigde haar uit voor de lunch. Maar hij bleef beleefd weigeren door haar gefotografeerd te worden. De Amerikaanse begreep het niet – waarom meed de man die van honderden mensen portretten had gemaakt, zelf stug het oog van de camera?

De ochtend erna wachtte Leibovitz geduldig langs de route naar Magnum. Toen ze na dik een uur Cartier-Bresson zag verschijnen, begon ze snel foto’s van hem te nemen. Toen die doorkreeg wat er gebeurde, schermde hij zijn gezicht af met zijn hoed en begon hij tegen haar te schreeuwen. Leibovitz: „Ik begreep niet alles wat hij zei omdat ik te druk was met de foto’s, maar het kwam erop neer dat ik hem verraden had.”

Het liep goed af. Toen Cartier-Bresson eenmaal weer zijn beschaafde zelf was, gaf hij Leibovitz alsnog toestemming een foto te maken. Hij legde haar uit dat hij niet wilde dat mensen hem zouden herkennen wanneer hij op straat foto’s maakte, omdat ze dan niet langer voor zijn lens zichzelf zouden zijn.

Henri Cartier-Bresson: Alberto Giacometti op de Rue d’Alésia in Parijs,1961

Leibovitz maakte zijn portret, maar ze heeft het nooit gepubliceerd.

Het argument van Cartier-Bresson was zeker valide. De man die bekend stond als ‘het oog van de eeuw’, probeerde mensen – bekend en niet-bekend – spontaan te fotograferen, op een onbewaakt moment. Maar zijn afkeer om zelf ‘vastgelegd’ te worden, in alle mogelijke betekenissen, lag diep in zijn persoonlijkheid besloten. Het raakt ook de kern van zijn nog altijd overrompelende werk, dat deze zomer op twee plekken in Parijs te zien is. De eerste expositie, in het recent heropende stadsmuseum Carnavalet, brengt de Parijse foto’s van Cartier-Bresson samen, vanaf de jaren dertig, toen hij onder invloed van het surrealisme met een camera begon te experimenteren, helemaal tot aan de roerige dagen van mei ’68. Op de tweede, in de Bibliothèque nationale de France, maken vijf curatoren, onder wie Annie Leibovitz en regisseur Wim Wenders, een persoonlijke keuze uit de zogenaamde Master Collection, de verzameling foto’s die Cartier-Bresson begin jaren zeventig samenstelde, nadat hij had verkondigd dat hij zichzelf niet langer als fotograaf beschouwde.

Lees ook dit interview met Martine Franck: Ze leefde 35 jaar samen met Henri Cartier-Bresson

Spontaniteit

Cartier-Bresson geldt als de fotograaf van ‘het beslissende moment’. Dat is een inmiddels wat uitgekauwd begrip, maar bedoeld wordt een intuïtief aangevoeld moment in het leven van alledag waarin even iets uitzonderlijks zichtbaar wordt, dat meteen daarna weer in de stroom van het alledaagse leven opgaat. Maar hoewel de Fransman degene was die het vastlegde, zoals een boogschutter zijn pijl afvuurt, moest hij om het moment zelf te laten spreken, zelf zo weinig mogelijk aanwezig zijn. Natuurlijk was hij degene die het moment bepaalde, het was de blik van de man die altijd zijn Leica paraat had, maar dat moment moest zo ‘onbewaakt’ mogelijk zijn; het was een kortstondig moment van aanraking, contact, niet van dwingende onderwerping aan het oog van de fotograaf.

Cartier-Bresson had evengoed oog voor het kleine leven, de zogenaamde ‘bonheur des jours’

Alles wat de spontaniteit van het moment in de weg kon zitten, moest geminimaliseerd worden. Daarom noemde hij zichzelf liever fotojournalist dan kunstfotograaf, daarom was hij overal ter wereld aanwezig maar ook zo weer vertrokken, daarom maakte hij slechts een paar zelfportretten. Daarom ook zag hij de fotografie nooit als een roeping en verkondigde hij ruim dertig jaar voor zijn dood dat hij er de brui aangaf (maar zijn Leica bleef hij altijd bij zich dragen). Zien, zonder de werkelijkheid opzichtig te ensceneren of te esthetiseren. Zijn veelgeprezen talent voor compositie, zijn oog voor geometrische vormen in het beeld, moest altijd intuïtief zijn, niet bedacht. Kleur beschouwde hij tot het einde van zijn leven als iets oneigenlijks.

Onbewaakt moment

Geen franje, geen ego, niets opleggen; niet zozeer kijken, zichtbaar maken. Wat als eerste opvalt wanneer je deze foto’s bekijkt, is hoe onbewaakt het moment nog altijd is. Veel van het werk geldt allang als ‘iconisch’, maar hoezeer Cartier-Bresson ook gebalsemd is als een van de grote fotografen van de 20ste eeuw, zijn mensen kijken je nog altijd direct aan, ze zijn aanwezig, niet gevangen in de tijd. Er is niets nostalgisch aan de grijnslach van het jongetje met twee enorme wijnflessen in de Rue Mouffetard in 1952. Er is niets sentimenteels aan het beeld van de zwarte man in pak op een troosteloze Boulevard de la Vilette in 1955.

Henri Cartier-Bresson: Een zondag aan de oevers van de Seine, 1938 Foto’s Fondation Henri Cartier-Bresson/ Magnum Photos

Er zijn weinig foto’s waarop geen mensen te zien zijn. Tijdens zijn lange loopbaan maakte Cartier-Bresson nieuwsfoto’s (en ook documentaires) tijdens grote historische gebeurtenissen; hij reisde in Spanje tijdens de Burgeroorlog, nam foto’s tijdens de bevrijding van Parijs in 1944, fotografeerde Gandhi vlak voor hij vermoord werd, legde de opmars van Mao in China vast. Maar hij had evengoed oog voor het kleine leven, de zogenaamde ‘bonheur des jours’, familie-uitjes, huwelijksfeesten, knuffelende stelletjes in het park. Daarnaast portretteerde hij zo’n beetje iedere 20ste-eeuwse grootheid – Capote, Beckett, Giacometti, Faulkner, Colette. Alleen De Gaulle bleef vriendelijk bedanken voor de eer, waarschijnlijk omdat hij onbewaakte momenten verafschuwde.

Transcendente glans

Maar de mensen van Cartier-Bresson blijven, ongeacht de context, in de eerste plaats altijd dat: mensen, individuen, niet opgeslokt door de geschiedenis of door hun reputatie of imago. Zelfs op zijn foto’s van mensenmassa’s verliest geen gezicht zijn eigenheid. Het is die wonderlijke autonomie die raakt. Iedereen is heel erg zichzelf.

Henri Cartier-Bresson: Quai St Bernard, Parijs,1932.

Cartier-Bresson noemde zichzelf journalist omdat hij een werkelijkheid buiten hemzelf wilde vastleggen; het was de kunstenaar in hem die die vluchtige momenten een transcendente glans gaf die ze losmaakte uit de tijd. Hij was zijn leven lang ook een progressieve kunstenaar, die zich verzette tegen onrecht en stug geloofde in een betere wereld. In zijn werk huldigt hij wat zo gemakkelijk een verzameling afgetrapte clichés kan worden – dat ieder mens een wereld op zichzelf is, dat we elkaar kunnen herkennen in onze gedeelde menselijkheid, in goede en kwade zin, heel het universalistische humanisme dat in gepolariseerde tijden zo dood als een pier lijkt. De foto’s van Cartier-Bresson weerspreken dat. Ze zijn springlevend.

Tentoonstellingen Henri Cartier-Bresson Revoir Paris. T/m 31/10 in het Musée Carnavalet in Parijs. Inl: carnavalet.paris.fr Le grand jeu. T/m 22/8 in de Bibliothèque nationale de France. Inl: bnf.fr