Reportage

Drie seconden inspectie en de vlinderpoppen zijn het land in

Exotische insecten Er is een levendige handel in vlinderpoppen en vlinders. Maar zicht op de import ontbreekt. „Je kunt ze gewoon in je jaszak stoppen.”

Foto Kees van de Veen

Op de negende verdieping van een flat in Delft houdt Jayant Kasi zijn vlinders. Aan zijn plafond hangt een kaal peertje, aan zijn witte muur een scheve prent van de Pont Neuf in Parijs. Verder is het hele appartement het domein van de vlinders. In een grote kooi van gaas in Kasi’s woonkamer, gepositioneerd op plastic Jumbo-tasjes, vliegt de morpho menelaus rond, een helblauwe soort uit Zuid-Amerika. Op de bananenplant naast de bank, waarvan de bladeren het plafond bijna raken, kruipen groene rupsen. Wanneer ze zich verpoppen, stopt Kasi ze in een Tupperwaredoosje met zuurstofgaatjes – totdat ze klaar zijn voor verkoop.

Vanuit dit appartement verkoopt de 42-jarige Kasi – brede schouders, een rood petje achterstevoren op het hoofd – vlinderpoppen aan zo’n duizend klanten: hobbyisten uit Europa en de Verenigde Staten, maar ook aan Nederlandse vlindertuinen als De Orchideeënhoeve en Vlinders aan de Vliet. De insecten leven gemiddeld zes weken – sommige tuinen hebben tweeduizend poppen per maand nodig om hun bezoekers dieren te kunnen laten zien. Ingepakt in plukken katoen, tussen piepschuim, komen de poppen bij Kasi’s klanten aan.

De handel in exotische vlinders is de afgelopen jaren flink gegroeid in Nederland, zeggen handelaren zelf en dat bevestigen een milieucriminoloog en een handelsinspecteur. De Nederlandse overheid heeft nauwelijks zicht op deze handel, blijkt uit onderzoek van NRC. Er zijn weinig inspecteurs aan de grenzen en waar die er wel zijn, ontbreekt het hun aan tijd en expertise om te zien welke poppen en vlinders wel en niet mogen worden ingevoerd.

Lees ook: Vlinders opkweken in de poppenkast van Artis

Door de coronacrisis is het rustiger, maar normaal gesproken verstuurt Kasi in de zomermaanden, als de vlindertuinen opengaan, tien- à twaalfduizend poppen per maand. Vlinders die hij thuis kweekt, en poppen die hij importeert uit Costa Rica, de Filippijnen en Suriname.

Een blauwe morpho in de vlindertuin.

Foto Kees van de Veen

In Nederland zijn meer vlindergroothandelaren. Erik Hendriks bijvoorbeeld, de eigenaar van de Drentse vlindertuin Papiliorama. Hoeveel poppen hij per maand verhandelt, wil hij niet zeggen – „bedrijfsgeheim” – maar volgens de Ikuywa Butterfly Farm, zijn leverancier in Kenia, importeert hij er uit dat land alleen al meer dan zevenduizend per maand. Kasi en Hendriks zijn volgens de handelaren en vlindertuinhouders die voor dit artikel zijn gesproken twee van de grootste vlinderverkopers van Europa.

Met Schiphol, de haven van Rotterdam en een degelijk wegennetwerk heeft Nederland een infrastructuur die goed is voor elke handel. En de douane is efficiënt. De Italiaanse vlindertuinbaas Francesco Barbieri koopt zijn dieren liever via een Nederlandse handelaar, zegt hij door de telefoon, want de Italiaanse douane is „zo langzaam dat de vlinders hier uitkomen in de doos en doodgaan”.

Netten met mangosap

Het Cites-verdrag, dat voor 182 landen de handel in bedreigde dier- en plantensoorten reguleert, is het enige juridische houvast voor Nederlandse handhavers als het gaat om het houden en verhandelen van exotische dieren. Soorten die op de Cites-lijst staan mogen alleen worden verkocht met een vergunning. Van de ongeveer 5.800 beschermde dieren op de lijst zijn er 50 vlinders.

Niemand heeft zicht op de duizenden vlindersoorten die niet op de Cites-lijst staan – meer dan een gezondheidscontrole door een dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is voor de import van die dieren niet nodig. Kwalijk, vindt de Costa Ricaanse insectendeskundige Luis Murillo-Hiller: de Cites-lijst is onvolledig. Het Midden-Amerikaanse land, waar een groot deel van de Nederlandse vlinderimport vandaan komt, kent duizenden vlinder- en mottensoorten waarvan niemand weet in welke aantallen ze nog voorkomen. Er wordt te weinig onderzoek gedaan. Murillo-Hiller vond in Costa Rica de afgelopen jaren al zestien vlindersoorten die volgens hem kwetsbaar zijn en beschermd zouden moeten worden, maar niet op de Cites-lijst staan.

Groothandelaren sturen vlinderboeren het bos in met netten die ingesmeerd zijn met mangosap. Het verdooft de insecten, waardoor ze makkelijker te vangen zijn. Training krijgen de boeren niet: beschermd of niet-beschermd kunnen ze vaak niet onderscheiden.

Dit is een tuin voor vlinders, geen tuin met vlinders, zegt eigenaar Erik Hendriks.

Foto Kees van de Veen

Sommige gespecialiseerde controleurs van de douane en de NVWA hebben daar wel genoeg kennis voor. Maar omdat vlinders als pop het land binnenkomen, kunnen ze de beschermde soorten er vaak niet uithalen, zegt Jaap Reijngoud, Cites-consultant en voormalig NVWA-inspecteur. „Eigenlijk kun je ze pas controleren nadat ze zijn uitgekomen.” Dan zijn ze al bij de koper.

Zo kan het dat een vlindertuin als Klein Costa Rica in het Brabantse Someren af en toe poppen krijgt die ze niet besteld hebben, of niet eens kennen. „Onlangs zagen we op een avocadoboom ineens onbekende rupsen”, zegt medewerker Ilona van Winkel. „Vermomd als verdorde bladeren, dus het duurde heel lang voordat we het doorhadden.”

Eitjes in een rietje

Bart Coppens (27) is een Nederlandse vlinder-youtuber met een „passion for insects”, zoals hij in zijn bio schrijft. Hij heeft meer dan 20.000 abonnees. In een van zijn meest bekeken video’s introduceert hij zichzelf en acht felgekleurde vlinders, die hij op zijn gezicht laat zitten. Zelf verkoopt hij geen poppen, maar hij legt zijn kijkers wel uit hoe ze vlinders moeten voeren, grootbrengen en kweken. Hij koopt zelf geregeld bij vlinderverkopers en heeft de handelswereld op die manier goed leren kennen.

Door zijn YouTube-kanaal is Coppens uitzonderlijk zichtbaar – de meeste handelaren in het Nederlandse vlindercircuit werken relatief anoniem, op fora of via hun afgeschermde Instagramaccounts. „Mensen die met vlinders bezig zijn willen liever onder de radar blijven”, zegt Coppens.

Sluipwespen in de cocons

Jayant Kasi vindt tussen zijn geïmporteerde poppen regelmatig sluipwespen – grote parasieten, die de vlinder opeten en in zijn omhulsel blijven zitten. Eenmaal uit de cocon gekomen, eten ze andere insecten en gewassen. „Die wil je hier niet hebben,” zegt hij.

Kasi kan ze inmiddels herkennen, maar dat geldt niet voor iedere vlinderhandelaar. Eigenlijk hoort een NVWA-dierenarts parasieten eruit te pikken tijdens een keuring op Schiphol – de enige verplichte controle bij de invoer van exotische dieren. Kasi betaalt er bij elke lading vlinders 200 euro voor. De NVWA zegt desgevraagd dat voor insecten de controle van een „algemeen handelsdocument voldoende” is: de NVWA-dierenarts controleert of de dieren in de zending overeenkomen met „aard, hoeveelheid en herkomst” van de dieren op de documenten. Als Kasi naar de controle op Schiphol kijkt, ziet hij hoe de dierenarts de doos opent en er misschien drie seconden in kijkt. „Met alle respect”, zegt Kasi, „zo’n arts heeft verstand van zoogdieren, maar niet van vlinderpoppen.”

Youtuber Coppens weet hoe makkelijk het is om vlindereitjes van zeldzame soorten mee te smokkelen van vakantie. „Je kunt ze gewoon in je jaszak stoppen,” zegt hij. „Of je verstuurt ze in een rietje in een envelop.” Eitjes inklaren op Schiphol is duur – hij kent genoeg verzamelaars en handelaren die ze niet aangeven.

Jaap Reijngoud begrijpt dat wel: „De kans dat je ervoor wordt aangehouden is zeer klein.” Toen hijzelf nog inspecteur bij de NVWA was – tot aan 2007 – controleerde hij de handel in exotische dieren samen met 23 anderen, van wie de helft zich richtte op Nederland. „Twaalf inspecteurs is niet veel voor een port of entry van Europa.” Volgens een woordvoerder van de NVWA schommelt het totaal aantal inspecteurs nu nog steeds rond de twintig.

Die controleurs zien maar zo’n 10 procent van de illegale markt in Nederland, weet Reijngoud. Dat is uitgezocht door Nederlandse milieucriminologen. „Op de handel in dieren die niet op de Cites-lijst staan, is al helemaal geen zicht.” De NVWA zegt dat de omvang van de illegale markt „per definitie” niet in te schatten is. „Als wij illegale zaken constateren, treden we hiertegen op.”

Beeld uit het Vlinderparadijs.

Foto Kees van de Veen

‘Speciaal project in Oeganda’

Op een regenachtige dag waarschuwt Erik Hendriks bezoekers van zijn vlindertuin, Vlinderparadijs Papiliorama in het Drentse Havelte, dat ze binnen misschien geen vlinders zullen zien. „Als het regent, gaan ze vooral op het dak zitten.”

Het is tropisch warm in de kas van Papiliorama – condens drupt van het dak omlaag. Het ruikt er naar potgrond. Vlinders vliegen er nauwelijks, een paar zitten als verdoofd op de grond, de meeste liggen tussen de buitenmuur en de doorzichtige isolatieplaat van de tuin – dood. Sommige nog intact, van anderen kan de bezoeker alleen het skelet bekijken.

Doorgaans zijn er zo’n vierhonderd vlinders in Papiliorama. Ook heeft vlindergroothandelaar Hendriks een „speciaal project in Oeganda”, waar „een kleine gemeenschap” vlinders kweekt, schrijft hij op zijn website. Om vlinders te vangen en te kweken, is in Oeganda een vergunning nodig. Op dit moment is er niemand met zo’n vergunning, schrijft de Oegandese Wildlife Authority. Die is niet bekend met Hendriks’ project. „Misschien hebben zij het niet goed geregistreerd, maar we hebben de vergunning wel”, zegt Hendriks. Maar hij wil zijn vergunning niet laten zien.

Vlinderwelzijn is het belangrijkst, zegt Hendriks. „Dit is geen tuin mét vlinders, het is een tuin vóór vlinders. Daarom noemen we het ook een vlinderparadijs.”

Foto Kees van de Veen