Migratiefilm ‘Minari’ herschrijft de Amerikaanse droom

Achtergrond Migratie is een rode draad in de filmgeschiedenis van de Verenigde Staten. Met ‘Minari’ brandt regisseur Lee Isaac Chung de Amerikaanse droom af tot op de grond.

In ‘Minari’ ziet pater familias Jacob (Steven Yeun) alleen de mogelijkheden van aangekocht land, echtgenote Monica (Yeri Han) de obstakels. Op de achtergrond zoontje David (Alan S. Kim) en dochter Anne (Noel Kate Cho).
In ‘Minari’ ziet pater familias Jacob (Steven Yeun) alleen de mogelijkheden van aangekocht land, echtgenote Monica (Yeri Han) de obstakels. Op de achtergrond zoontje David (Alan S. Kim) en dochter Anne (Noel Kate Cho). Foto David Bornfriend

Vader Jacob heeft aan alles gedacht. Hij heeft op het platteland van Arkansas een stuk grond gekocht waar hij groente gaat verbouwen voor de groeiende Koreaanse gemeenschap in de Verenigde Staten. Elk jaar arriveren er wel 30.000 nieuwe immigranten, vertelt hij aan zijn zoontje David. En hoewel het jochie nog niet rekenen kan – dat zal hij later van zijn grootmoeder leren met behulp van het traditionele Koreaanse ‘hwatu’-kaartspel – snapt David ook zo wel dat dat veel is. En dat de dromen in zijn vaders ogen groot zijn.

In zijn nieuwe film Minari richt de Koreaans-Amerikaanse regisseur Lee Isaac Chung (Denver, 1978) zijn camera op zijn eigen jeugd. Een „mix van waargebeurde en verzonnen dingen”, „zo omschreef hij dat. Het moest een ‘alles of niets’-film worden, vertelde hij eerder dit jaar aan de Amerikaanse pers.

Nadat hij met zijn debuutfilm Munyurangabo (2007) was geselecteerd voor het filmfestival van Cannes, bleek het ondanks een vliegende start niet vanzelfsprekend om zijn eigen werk van de grond te krijgen. De Amerikaanse filmindustrie was nog lang niet aan de grote inhaalslag toe die nu aan de gang is om inclusiever en diverser te worden. Net zoals veel Amerikaanse professionals met een Aziatische achtergrond koos Lee onder zachte druk van zijn familie aanvankelijk voor een carrière met loopbaangarantie. Pas vlak voor hij medicijnen zou gaan studeren besloot hij alsnog filmmaker te worden. Hij weet zelf dus ook wel het een en ander van dromen.

Lees ook: Aziatisch-Amerikanen breken door bij de Oscars van 2021

Omgekeerde frontier

Van immigrantenzoon wiens ouders net als in de film in een kippenslachterij werkten tot Oscar-genomineerde filmmaker, zou dat behalve Chungs leven in het kort, ook een goede samenvatting zijn van de Amerikaanse droom?

Migratie is een thema dat nauw verbonden is met de geschiedenis van de Amerikaanse droom in de filmgeschiedenis van de Verenigde Staten. Je zou zelfs kunnen zeggen dat sinds In Old California (1910), de eerste film die in Hollywood gedraaid werd, de mythologie van de pionier en de selfmade man via films werd versterkt en verspreid. Het blijft speculatie, want we kunnen het massamedium niet meer wegdenken uit onze wereld, maar zonder film was dat verhaal nooit zo eenvormig geworden. Zo is de historie van film in de Verenigde Staten niet alleen een verhaal van immigranten zelf, van Europese en andere filmmakers in diaspora die naar Amerika vertrokken en het nieuwe medium vormgaven. Het is ook een geschiedenis die via genres als de western en de gangsterfilm vanaf de begindagen van Hollywood in beelden werd geschreven. Van Charlie Chaplins bitterzoete The Immigrant uit 1917 tot James Grays gelijknamige film uit 2014. Dat was trouwens pas een van de eerste films die daadwerkelijk op havengrenspost Ellis Island werd opgenomen. Die beelden zijn zo sterk gebleken dat het op een paar uitzonderingen na, tot in deze eeuw heeft geduurd voordat daar kanttekeningen bij konden worden geplaatst.

Vaak zijn de films over immigratie naar de VS verhalen over steden aan de Oostkust geweest: de aankomst met de boot in New York, het overleven in de overvolle appartementsgebouwen aan de Lower East Side, de schaduwzijde zoals vereeuwigd in Martin Scorseses Gangs of New York (2002). Andere films gaan over de trek naar het westen, over de ‘frontier’, het bouwen van een eigen paradijs op vruchtbare aarde.

Dat is ook waar Minari begint, maar dan halverwege de jaren tachtig van de afgelopen eeuw. Vader en moeder Yi zijn ooit in het oosten gearriveerd, als derde generatie Koreaanse immigranten. Ze zijn geboren rondom de Koreaanse Oorlog, en trokken weg uit een politiek instabiel land, op de vlucht voor werkloosheid. Niets van die sociaalhistorische achtergronden zit nadrukkelijk in de film. Je moet het maar concluderen uit het bankbiljet ‘oorlogsgeld’ dat veteraan Paul uit zijn zak trekt als hij zijn diensten bij vader en zoon Yi als boerenknecht aanbiedt en al die andere terloopse details. Van Californië reizen ze verder landinwaarts. Ze zijn eerst nieuwkomers in de stedelijke cultuur van Californië, en dan buitenstaanders in de landelijke christelijke cultuur van Arkansas. Een dubbele migratie.

Die omgekeerde frontier doet ook sterk denken aan First Cow van Kelly Reichardt, die andere film die dit jaar afrekende met het klassieke frame van de Europese kolonisatie van Noord-Amerika. Reichardt deed voor haar film veel onderzoek naar de immigratiestromen uit Azië, uit het noorden en het zuiden. En ze plaatste deze nieuwkomers nadrukkelijk in de wereld van de oorspronkelijke bewoners van de Amerikaanse Westkust. Ook haar personages droomden een droom van een beter leven.

Winnaars/verliezers-mentaliteit

Hoewel er 200 jaar tussen de gebeurtenissen in beide films zit, hebben Chung en Reichardt nog iets anders gemeen. Ze kapen de Amerikaanse droom terug van z’n koloniale, kapitalistische, exploitatieve connotaties. Van het idee dat er voor iedereen genoeg is. En dat iedereen daar ongeacht z’n afkomst toegang toe heeft. Van het idee dat je altijd iets te kiezen hebt, en als je dat niet hebt dat het dan op een of andere manier je eigen schuld is, want er is in dat paradijs toch overvloed en vrijheid? Kortom, van z’n winnaars/verliezers-mentaliteit. Het land bewerken is iets anders dan het land veroveren. Iets vergelijkbaars zie je overigens ook in Chloé Zhao’s Nomadland, die al die Oscars won waar Minari ook voor genomineerd was.

Lees hier de recensie van ‘Minari’

Kritiek op de Amerikaanse droom is al zo oud als de eerste films die de Amerikaanse droom idealiseerden. Chung gaat verder. Hij herschrijft hem. Hij laat binnen de dynamiek van de familie Yi zien dat immigratie nooit een lineair verhaal is. Vader en moeder hebben ieder een eigen reden om van een nieuw leven te dromen. Soms zijn ze daarin vooruitstrevend, soms gericht op het behoud van hun cultuur. Als oma Soonja arriveert om op de kinderen te passen wordt dat gamma nog geraffineerder. Lee Isaac Chung heeft bewust geprobeerd om dramaturgische short cuts te vermijden. Er is drama. Maar er is vooral nuance.

Vader Jacob heeft aan alles gedacht. Regisseur Lee Isaac Chung heeft voor deze optimistische, blijmoedige man weliswaar een mild en intiem verhaal in gedachten, maar wel eentje met een melodramatisch einde waarin de Amerikaanse droom afbrandt. Wat de familie op die vruchtbare aarde gaat bouwen weten we niet. Maar wel dat oma in de rivierbedding nabij ‘minari’ heeft geplant, een Koreaanse vorm van waterkers die sterk is en makkelijk wortelt. Ook dat is een metafoor voor de film natuurlijk. En voor de ‘melting pot’, waaraan filmmakers nu hun eigen smaken mogen toevoegen.