Recensie

Recensie Beeldende kunst

De hardnekkige kunstmythes rond Karel Appel

Recensie Cobra en politiek

De relatie tussen Cobra en politiek ging verder dan een paar spotprenten. Er werden sympathieën verdoezeld om nieuwe kunst te kunnen maken.

Cobra-werken op de expositie Foto Peter Tijhuis

Cobra-werken op de expositie

Foto Peter Tijhuis

Het venijn zit hem in het bijschrift van een ouder schilderijtje, een wat belegen landschapje van Karel Appel uit 1942. Dat meldt dat hij tijdens de oorlog lid was van de Kultuurkamer, een verplichting voor kunstenaars die hun beroep wilden blijven uitoefenen. Daarnaast zocht Appel echter ook actief contact met de bezetter. Bij veel kunsthistorici is dat bekend, bij het grote publiek niet, en dat komt deels door Cobra.

Dat zit zo: na de oorlog ontpopte Appel zich tot een dusdanig getalenteerd vernieuwer dat hij nodig was voor de grote beweging van nieuwe moderne kunst. Stedelijk-directeur Willem Sandberg, zelf als voormalig verzetsman van onbesproken gedrag, zorgde dat over Appels reputatie niet gesproken werd. Alleen zo kon Appel meedoen in de nieuwe kunst die symbool stond voor de vrijheid en de nieuwe horizon na de oorlog.

Het landschapje hangt in de tentoonstelling ‘Cobra en Politiek’ die te zien is in het Cobra Museum. Die toont 25 werken van Cobra-kunstenaars: vrij, los, wild, kleurig, abstract. Het zijn de naïef uitziende vogels van Corneille, de dansende figuren van Lotti van der Gaag, de grillige vormen van Alechinsky en groteske wezens van Lucebert wiens hang naar de bezetter ook wordt aangestipt. Er zitten verrassingen bij zoals een hoekige abstractie van Else Asfelt en de grimmig anti-fascistische spotprenten van Eugène Brands uit 1939, beeldend ijzersterk.

Lees ook: Snelcursus surrealisme en de moeizame relatie met Cobra

De kleine expositie vertelt hoe de vaak linkse kunstenaars na de oorlog riepen dat je er vooral gewoon lekker op los moet tekenen, doe eens gek. Daarmee wilden ze bewijzen dat elk mens zijn eigen kunst en leven kan bepalen. Van Appel hangt er een heel Cobra-esk werk ‘Vragende kinderen’, geïnspireerd op kindertekeningen. Het ademt het idee van het kinderlijke, scheppen vanuit het niets. Dat betekende dat je alleen putte uit jezelf, en dat de buitenwereld niet relevant was om kunst te begrijpen. Dat is een heel wenselijke gedachte als je, zoals Appel, een verleden wilt uitgummen.

Zendingsdrang

Maar over dat laatste gaat de expositie niet echt. Die is bovenal een interessante presentatie die genuanceerd focust op de politieke wil en zendingsdrang van de exposanten, maar wel meer had mogen uitzoomen. Want Cobra hielp de wereld aan een schone lei maar had die stiekem zelf ook nodig, juist omdat kunst wel onderdeel was geweest van de boze buitenwereld.

Over dat deel uitmaken van de buitenwereld ging het destijds niet. In plaats daarvan ontstond met Cobra een nieuw beeld van kunstenaars als solisten die enkel uit zichzelf putten. Door net te doen of kunst alleen maar ging om het creatieve genie plus verf, zonder de wereld daarbuiten, ontstond een cliché.

Hoe hardnekkig dat werd, blijkt in hetzelfde Cobra Museum nota bene in de belendende tentoonstelling, over 100 jaar Karel Appel. Juist die jubileumpresentatie viert exact die mythe. Dat gebeurt vooral in een film uit 1961: Appel woest schilderend, zijn gezicht in grimassen, het is hij en het doek en verf en zijn genialiteit. De soundtrack bestaat uit jazz, door zijn improvisaties de muzikale evenknie van de vrije expressie. Dat juist dit hier functioneert als uitleg bij de schilderijen geeft maar aan hoe sterk dat beeld is van het macho schildersgenie dat de werkelijkheid buiten het schilderij negeert.

Het is wel een tikje ironisch dat juist naast de expositie die de politieke drijfveren van Cobra wil aanstippen, de mythe wordt gehuldigd die die politieke betrokkenheid moest wegpoetsen.

Sandra Smets