China deelt nieuwe klap uit in strijd tegen techbedrijven: ‘games zijn elektronische drugs’

Censuur Via een artikel in een Chinees staatsmedium valt de Communistische Partij de game-industrie aan. Het is een nieuw voorbeeld van hoe China techbedrijven onder druk zet.

Bezoekers van een gameconferentie in Shanghai in juli. In China waren spelcomputers tot 2015 verboden. Er wordt daardoor vooral gegamed op pc's en smartphones.
Bezoekers van een gameconferentie in Shanghai in juli. In China waren spelcomputers tot 2015 verboden. Er wordt daardoor vooral gegamed op pc's en smartphones. Foto Alex Plavevski/EPA

Computerspellen zijn „elektronische drugs”, die een „vernietigende invloed” hebben op tieners, studenten en getrouwde koppels. Games zijn niets minder dan „spirituele opium, ter waarde van honderden miljarden”.

Was getekend: de Economic Information Daily. Deze krant, eigendom van het Chinese staatspersbureau Xinhua, publiceerde dinsdagochtend een artikel dat het best las als een grote aanklacht tegen internetverslaving. Het stuk liet anonieme jongeren aan het woord, die hun zorgen uitten over gameverslaafde vrienden. Anonieme ‘experts’ claimden dat de helft van de Chinese jongeren inmiddels bijziend was door al dat gamen.

Het artikel ging dinsdag vlak na verschijning weer offline om daarna weer terug te komen in een mildere, herschreven versie, waarbij het begrip ‘spirituele opium’ was verwijderd. Volgens bronnen van de Britse zakenkrant Financial Times was de publicatie een poging van de Communistische Partij van China om „de wateren te testen”. Ofwel: een subtiele truc om Chinese techbedrijven onder druk te zetten om snel hun beleid aan te passen.

Verantwoordelijkheid nemen

Effect had het zeker. Tencent, een van de grootste techbedrijven van China, besloot dinsdag direct restricties in te voeren voor de jongste spelers van Tencents mateloos populaire computerspel Honor of Kings, dat ook een prominente rol had in het artikel in de Economic Information Daily. In een reactie op sociale media stelde Tencent zijn „maatschappelijke verantwoordelijkheid” te nemen na berichten van „relevante autoriteiten”.

Het techbedrijf kondigde tevens aan een maatschappelijk debat te willen voeren over of gamen voor kinderen onder de twaalf jaar überhaupt verboden moest worden in China. Chinezen gamen vooral via pc’s en mobiele telefoons: spelcomputers waren in het land tot 2015 verboden en spelen een marginale rol, waardoor een bedrijf als Nintendo nauwelijks een voet aan de grond in China heeft weten te krijgen.

In 2019 werd al bepaald dat Chinese jongeren onder de achttien niet meer tussen 22.00 uur en 8.00 uur online spellen mogen spelen. Bovendien geldt voor die groep een tijdslimiet. Tencent kondigde dinsdag aan die limiet nu verder te verlagen: naar maximaal een uur per dag (en twee uur tijdens vrije dagen). Ook kunnen jonge spelers niet langer meer online aankopen doen in het spel.

Het is niet voor niks dat Tencent direct buigt, zodra de Communistische Partij van zich laat horen. De schrik zit er de laatste maanden stevig in bij Chinese techbedrijven. Maandag liet de Communistische Partij een bericht uitgaan, waarin het bekendmaakte Tencents concurrent Bytedance te gaan onderzoeken. Bytedance, eigenaar van de in China onder jongeren populaire video-app Douyin, kan een overheidsonderzoek tegemoet zien naar haar algoritmes zodat de app geen „verkeerde” video’s meer aanraadt.

Lees ook: China sluit het net om de eigen grote techbedrijven in jacht naar data

Macht over data

Het is de zoveelste stap in een lange reeks maatregelen van president Xi Jinping om de macht van de grote Chinese technologiebedrijven te beteugelen. Xi, die persoonlijk aan de leiding staat van het Chinese Bestuursorgaan voor Cyberspace (CAC) dat belast is met de regulering, de censuur en de controle van internet, wil de toenemende dataverzameling van China’s techbedrijven inperken. Daarbij handelt China vooral uit eigenbelang: het wil zelf de data van zijn burgers in handen houden en voorkomen dat informatie over Chinese burgers in buitenlandse handen valt.

Vorige maand viel de CAC binnen bij taxi-app Didi Chuxing, dat vlak daarvoor een beursnotering in New York had gevierd. De CAC concludeerde in een onderzoek naar „nationale dataveiligheid” dat Didi illegaal gegevens van gebruikers verzamelde en verbood het aanbieden van de Didi-app aan nieuwe gebruikers. Ook webwinkel Alibaba en zijn financiële tak Ant liggen al tijden onder het vergrootglas. Onder druk van de Chinese autoriteiten moest Ant een beursgang eind vorig jaar op het laatste moment afblazen.

Voor Chinese beursgenoteerde bedrijven, zoals Tencent, heeft het tot gevolg dat de koersen stevig onder druk komen te staan. De bedrijven zijn door alle druk van de Chinese overheid zelfs vrijwel „onbelegbaar” geworden, volgens analisten van zakenbank JP Morgan. Uit een analyse van Financial Times bleek onlangs dat van de 34 Chinese bedrijven die naar de beurs gingen op Wall Street, twee derde inmiddels een koers heeft onder de introductieprijs.

Het aan de Amsterdamse beurs genoteerde techbedrijf Prosus is een van de grote investeerders in Tencent. Prosus kocht in 2001 voor 32 miljoen dollar een aandeel van 46,5 procent in het Chinese techbedrijf. Een gouden deal, die inmiddels een waarde van meer dan 200 miljard dollar vertegenwoordigt. Met als negatief bijeffect dat de huidige druk op Tencent gevolgen heeft voor de koers van Prosus zelf: het bedrijf verloor de afgelopen zes maanden bijna een derde van zijn beurswaarde.

Dinsdag werd het er niet beter op. De koers van Tencent aan de beurs van Hongkong daalde na publicatie van het Chinese krantenartikel direct met meer dan 10 procent. Later op de dag herstelde de aandelenkoers zich enigszins, om uiteindelijk zo’n 6 procent te verliezen.