Bekend met het ondergrondse leven gingen veel van hen het verzet in

Struikelsteen Alsnog wordt verzetsstrijder en dolende ziel Karel Pekelharing herdacht, schrijft .

In de Romnbout Hogerbeetsstraat in Amsterdam is de struikelsteen gelegd voor Karel August Pekelharing.
In de Romnbout Hogerbeetsstraat in Amsterdam is de struikelsteen gelegd voor Karel August Pekelharing. Foto Dingena Mol / ANP

Verhoogde homoseksualiteit de kans het verzet in te gaan? Het is bekend dat het aantal homoseksuele leden van het Kunstenaarsverzet van Gerrit van der Veen, die in 1943 de aanslag pleegde op het Amsterdamse bevolkingsregister, relatief groot was: Willem Arondéus (beeldend kunstenaar) bijvoorbeeld. Of Sjoerd Bakker (couturier) en Frieda Belinfante (dirigente). De naam Karel Pekelharing (1909-1944) is minder bekend. Danser, choreograaf, dichter – nooit echt succesvol. Er is een foto waarop hij mannelijk naakt schildert. Hij schreef ook antifascistisch proza. Verzetsblad De Vrije Kunstenaar noemde hem in een in memoriam „de man van twaalf ambachten”. In zijn afscheidsbrief vanuit de gevangenis schrijft Pekelharing in 1944: „Iets wilde ik zijn – tot worden gunde ik mijzelf en het leven geen tijd.”

Die brief staat in het boek Het begint met nee zeggen uit 2006 waarin verhalen zijn opgetekend van homoseksuele en lesbische verzetsstrijders. „Pekelharing was door zijn homoseksualiteit als het ware voorbereid op het ondergrondse, illegale leven”, schrijft Jos Versteegen. Zo viel de politie in 1932 een Amsterdamse homobar binnen waar Pekelharing kwam.

Zijn moeder overleed vroeg, zijn vader liet zijn acht kinderen in de steek. Pekelharing zwierf langs Oosterbeek, Utrecht, Den Haag, Haarlem en Amsterdam. Volgens een zus van een vriendje van hem „verkocht” hij zichzelf, zelf zei hij van de wind te leven. Hij werkte in de oorlog als tramconducteur in Duitsland, maar moest vluchten toen hij werd ontdekt als saboteur.

Met Parool-journalist Huub Jans schreef Pekelharing een „literaire anti-oorlogsrevue”, De nacht schreit, die ze ook uitvoerden. Dat werd wel heel spannend toen eens een SS-officier in het publiek bleek te zitten, in uniform. Ze speelden hun revue daarom in razendsnel, plat Amsterdams. In de pauze zou Pekelharing de pet van het hoofd van de SS’er hebben gegrist om ermee te collecteren.

In 1944 werd Pekelharing opgepakt, kort nadat hij verzetsmensen wilde bevrijden uit de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam, wat mislukte. Hij kwam in dezelfde gevangenis, en werd gefusilleerd in de duinen van Overveen.

Stolperstein

Dinsdag legde belangenorganisatie COC voor Pekelharing een Stolperstein (‘struikelsteen’) voor het huis waar hij ondergedoken zat, aan de Rombout Hogerbeetsstraat. Tienduizenden van dit soort messing gedenkplaatjes liggen door Europa, als onderdeel van een Duits kunstproject. In Nederland werd er nog nooit een gelegd voor iemand van wie bekend is dat die homo was. Historica Judith Schuyf, die onderzoek deed naar homoseksualiteit in de oorlog, vond dat „tragisch”. Pekelharing kreeg naast Van der Veen een plekje op de Erebegraafplaats in Bloemendaal, maar raakte desondanks in de vergetelheid. Homoseksuele slachtoffers hebben vaak geen nabestaanden. Schuyf selecteerde negen personen voor een struikelsteen, Joods of verzetsstrijder, maar allemaal homoseksueel.

Onder hen kunstenaars Arondéus, Bakker en Belinfante, maar ook Joodse mensen met alleen een geboorte- en sterfdatum. Zij stonden op een ‘homolijst’ van de politie en konden makkelijk worden opgepakt, zegt Schuyf. Vooral voor hen begon ze dit initiatief. „Er zijn geen foto's van hen bekend, ze werden door niemand herinnerd”, zegt Schuyf.

Het COC bestaat dit jaar 75 jaar. Het werd opgericht door oud-verzetsstrijders. Want de oorlog mocht toen misschien voorbij zijn, zegt Schuyf, „het gevoel van onrechtvaardigheid bleef”.