Ruim vier keer zoveel mensen namen het vliegtuig als in voorjaar 2020

Vliegreizen Ruim drie miljoen reizigers gingen in mei en juni met het vliegtuig. In dezelfde maanden in 2020 waren dat er 750.000.
Reizigers bij de incheckpalen op Schiphol.
Reizigers bij de incheckpalen op Schiphol. Foto Olivier Middendorp

Het aantal passagiers dat het vliegtuig neemt, krabbelt de laatste maanden weer op. 3,9 miljoen mensen gingen in het tweede kwartaal van 2021 met het vliegtuig vanaf en naar een van de vijf luchthavens in Nederland. Dat zijn er ruim vier keer zoveel als in dezelfde periode vorig jaar. Het aantal ligt nog steeds ver onder het niveau van voor de coronacrisis. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Vooral in mei en juni was een grote toename zichtbaar: ruim drie miljoen passagiers stapten in die maanden in het vliegtuig. In mei en juni van 2020 waren dat er 750.000. In 2019 vlogen in die maanden bijna 15 miljoen mensen. Op 15 mei kondigde het kabinet aan dat reizen naar landen met lage aantallen coronabesmettingen weer toegestaan was.

Naast het aantal passagiers, steeg ook het aantal vluchten en het aantal bezette stoelen per vlucht. In het tweede kwartaal van 2021 vertrokken bijna 50 procent meer passagiersvluchten vanaf de vijf Nederlandse vluchthavens dan in het eerste kwartaal van dit jaar. Op de vluchten waren gemiddeld 44 van de 100 stoelen bezet. Dat waren er in het eerste kwartaal nog 35 van de 100. In het tweede kwartaal van 2019 was de gemiddelde stoelbezetting 82 van de 100.

15 procent van de reizigers ging naar Spanje, bijna 600.000 mensen. De volgende meest populaire bestemming waren in deze periode de Verenigde Staten, waar 7 procent van de passagiers naartoe ging. Het reisadvies van Spanje is eind juli aangepast naar ‘geel’, daarvoor was het lang ‘oranje’. Ook de kleurcode van de Verenigde Staten is sinds kort geel, maar in het land geldt al sinds het begin van de coronacrisis een inreisverbod voor inwoners uit de Schengenlanden die geen Amerikaans visum hebben of geen direct familielid zijn van een visumhouder.