Opinie

Nieuwe regenboogvlag toont valkuilen van identiteitsdebat

Identiteit

Commentaar

Er is op de jubilerende Amsterdam Pride deze week een nieuwe regenboogvlag in opmars. Op de nieuwe versie prijken niet alleen de kleuren van de regenboog, symbool voor de rijke schakering aan menselijke kleuren en (gender-)identiteiten; er is een driehoekig element toegevoegd. Zwart, bruin, lichtblauw, lichtroze en wit, naast de bekende zes banen rood, oranje, geel, groen, blauw en violet.

De nieuwe kleuren moeten transgender personen, zwarte mensen, personen van kleur en mensen die zijn gestorven aan aids of leven met hiv beter representeren.

Onder de diverse gemeenschappen waarin deze vlag een rol speelt woedt een stevig debat over de extra kleurenbanen. Sommigen vinden de klassieke vlag verouderd, te vercommercialiseerd of ‘niet-inclusief’. Anderen wijzen op de tijdloze symboliek van de regenboog, die per definitie al een rijk spectrum is van alle kleuren die het zonlicht bevat.

Nou mag iedereen zelf bepalen welke vlag zij/hij/hen het best bij zichzelf vindt passen. Discussie over hoe zo’n gemeenschapsvlag er het beste uitziet, kan nuttig zijn om belangrijke thema’s als gelijkwaardigheid, identiteit en emancipatie tastbaar te maken.

Toch wringt er iets aan de manier waarop dat nu gebeurt. Temeer omdat dezelfde dynamiek zichtbaar is in veel meer identitaire maatschappelijke bewegingen. Een criticus van de nieuwe regenboogvlag vatte het in NRC mooi samen: „Wat bereik je met een vlag die elke tak van de boom apart houdt?”

Hoeveel afgebakende identiteitsvakjes kun je kwijt op een vlag, of op Twitter, of in een samenleving?

Veel sociale bewegingen zijn er de laatste tijd op gericht om mensen met een minderheidsidentiteit te bevrijden van onderdrukking door de rest van de maatschappij. In veel gevallen is het de hoogste tijd dat die minderheidsgroepen gelijke rechten krijgen om zichzelf uit te drukken op hun eigen manier.

Dit zijn per definitie discussies waarbij het argument van de één al snel raakt aan gevoeligheden van de ander. En waarbij de hoge toon van de één irritatie kan wekken bij de ander. Maar zulke irritatie hoort er nou eenmaal bij in een vrije samenleving. Geen verandering zonder frictie. Om ongelijkheid te kunnen benoemen kan (tijdelijk) enige groepsafbakening nodig zijn. Een zekere mate van groepsdenken is voor gemarginaliseerde groepen soms noodzakelijk.

Maar in het steeds nauwer gedefinieerde identiteitsdenken zit een grote valkuil. Die zit ’m in het reductionisme waarvan sommige van deze groepen zich bedienen. In hun strijd voor gelijkwaardigheid, reduceren ze zichzelf en anderen tot afgebakende groepen, hermetische hokjes. Wakker of niet-wakker, zwart of wit, ouderwets of modern. Dat is veel te simplistisch.

Het is een reductie die tot in de oneindigheid door kan gaan. Het is zeer de vraag of een samenleving beter wordt van nog meer afscheiding van elkaar. Brengt dat geen verkaveling in plaats van bevrijding?

De grens tussen emancipatie en tribalisering is dun. Dat is altijd al zo geweest, maar in deze tijd van (online-)polarisering dringt deze spanning sneller en dieper door. Discussies over gelijke rechten moeten nodig gevoerd worden, maar wel met ruimte voor de subtiliteit en complexiteit die daarbij horen.

Juist de overlap tussen al die groepen vormt een samenleving. Groepen waarvan de afbakening vaag mag zijn, waarin kleuren en identiteiten in elkaar mogen overlopen, én met elkaar mogen contrasteren, vloeken. Graag zelfs. Inderdaad, net als een regenboog.