Opinie

Je weet nooit waar een herinnering gaat liggen

Marjoleine de Vos

Eerst waren het alleen de reisbureaus die het zeiden en nu is het blijkbaar heel gewoon: „Herinneringen maken.” Mensen zeggen het vooral als ze met vakantie gaan. Kunnen ze niet met vakantie, dan wordt ze niet alleen de reis maar ook de mogelijkheid om zich later iets te herinneren door de neus geboord.

Waarom ergert het me zo onuitsprekelijk? Of nu ja, onuitsprekelijk, dat is het woord niet. Het valt heel goed uit te spreken: wie de hele tijd denkt aan wat-ie zich later zal herinneren maakt het heden niet mee. Bovendien trekken de herinneringen zich heel weinig aan van de droomvakantie op Ibiza – die kunnen ze zomaar wissen en in plaats daarvan komen ze op de proppen met een zanderige zure bom in de zilte geur van het Bloemendaalse strand. Weten die herinneringen veel dat het de bedoeling was dat de Spaanse palmbomen en de ijscoupes onvergetelijk zouden zijn?

Cees Nooteboom heeft het heel goed gezegd in zijn roman Rituelen: „Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.” Die hond is misschien bezig flink te snuffelen aan al die avonden met avondklok van afgelopen winter en besluit op een goed moment dat-ie daar even gaat liggen, zodat het naar Thailand meegevlogen kind later zal zeggen: „Thailand in 2021? Weet niet meer. Dat was dan na die winter dat we aldoor thuis zaten en we ’s avonds series keken en chips aten, zó gezellig!”

Haha, lach ik nu gemeen tegen de ouders die met volle koffers en testbewijzen in de vertrekhal staan. Maar het is flauw om zo akelig tegen de juist zo goedbedoelende ouders te doen.

Met mijn 90-jarige moeder praat ik vaak over vroeger, en ze zegt dan: „Ik herinner me eigenlijk niets meer.” Dat is niet waar, ze herinnert zich van alles, maar het zijn meestal herinneringen van erg lang geleden en ze herinnert zich zelden nog iets wat ze zich niet al heel vaak te binnen heeft gebracht. Maar als ik ophaal hoe we samen naar Rhodos zijn geweest in 1976, waar we helemaal niet bezig waren met herinneringen te maken, we waren enorm in ons toenmalige heden aan het leven en wisten niet dat nu juist dat reisje zoveel sporen achter zou laten, dan weet zij het ook weer en dan lachen we weer samen om de Griekse mannen die op allerlei manieren, waaronder hele rare, de aandacht probeerden te trekken.

Het zou iets anders zijn als er écht niets meer was. Rutger Kopland schreef eens een gedicht, ‘Het anatomisch verslag’, waarin hij leest wat de patholoog anatoom schrijft over de hersenen van zijn onlangs gestorven, demente moeder. Hij ziet de verwoestingen en denkt: „in deze verlaten wereld heeft ze gewoond/ en ook ik woonde hier”. En dan moet hij wegkijken van het verslag „in mijn hoofd een leegte niet te beschrijven”.

Of als je de laden opruimt van iemand die dood is, al die papieren vol heden – ‘niet vergeten G. te bellen’; ‘Belangrijk!’; ‘Liefs van (onleesbaar)’ – alles in mapjes die duidelijk al jaren niet meer ingekeken zijn, een wereld die misschien ergens in het nu niet meer werkzame hoofd nog wat herinneringen had achtergelaten, misschien ook wel niet.

Dan lijkt het enige belangrijke voor het levensgeluk om met volle aandacht te doen wat zich nu aandient, wat je wilt doen, wat je fijn vindt of je het je nu later zult herinneren of niet.

En misschien is het het beste om te geloven dát je het je later zult herinneren, omdat het allemaal even onvergetelijk is. En is dat gewoon wat de mensen bedoelen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.