Opinie

Twintig jaar Afghanistan – en toch nog te weinig over de Afghanen geschreven

De ombudsman

Generaal Varennikov, oud-bevelhebber van het Sovjetleger in Afghanistan, nam geen blad voor de mond toen NRC-correspondent Coen van Zwol hem in 2007 vroeg of hij een advies had voor de Nederlandse troepen daar. „Tentjes opvouwen, uniform strijken en terug naar uw mamaatje”, raadde de generaal aan. Onbegonnen werk.

Dat was krap een jaar nadat Nederland in de provincie Uruzgan de tenten had uitgeklapt, als deel van de NAVO-missie. De scepsis uit Moskou bleek profetisch. Volgende maand komt na twintig jaar een einde aan de missie, door The Economist samengevat als „een verpletterende nederlaag”. NRC sprak van een „kostbare mislukking”. Nederland had voldaan aan zijn verplichtingen als bondgenoot – ook wat waard - maar veel meer was er niet bereikt. Integendeel.

Hoe hebben NRC-verslaggevers in het veld die oorlog beleefd, de langste waar Nederland – die ene van tachtig jaar niet meegerekend – aan meedeed?

Hun verhalen doen je soms rillen van de risico’s die ze af en toe hebben gelopen, maar dwingen ook bewondering af voor hun professionaliteit, ondanks de beperkingen van embedded verslag doen en de doem die al vanaf het begin over de missie lag. Juurd Eijsvoogel, diplomatiek redacteur en twee keer mee op reis naar het land, las de koppen boven zijn artikelen na en die zeggen genoeg, zoals: Te wapen, hoe dan ook en Altijd de vlag halfstok. „Als ik een beetje terug blader is alles doortrokken van een grote somberheid”, zegt hij.

Dat wordt bevestigd door de berichten vanuit het veld. In drie decennia reisde een reeks verslaggevers af: correspondenten, redacteuren buitenland, maar ook politiek redacteuren. Ook schrijver Arnon Grunberg bivakkeerde voor NRC in Kamp Holland, met zijn eigen oog voor „het prikkelende absurdisme dat oorlog dikwijls is”. In 2014 reisde hij terug naar het land.

Al die honderden verhalen samen geven een scherp inzicht in de hortende en stotende manier waarop niet alleen Nederland maar ook de krant leerde omgaan met een complexe, uitzichtloze oorlog ver tweg. Boven een prominente reportage van buitenland-redacteur Hanneke Chin-A-Fo staat de kop Operatie Improvisatie – en die dekt de hele lading, ook de journalistieke.

Dat was extreem het geval nog vóór de NAVO-oorlog. Floris van Straaten, toen freelancer, trok in 1987 „letterlijk lopend” door het land, met strijders van de mujahedeen (nog gesteund door het Westen). Hij schreef erover met de alerte nuchterheid van de beste oorlogsverslaggeving. Medio jaren negentig keerde hij er geregeld terug als correspondent in India (hij bezocht het land veertien keer). Contact met de redactie was aanvankelijk moeilijk, zegt hij. „Als je eenmaal in Afghanistan was, was je al gauw een week of twee onbereikbaar.” Geen internet, ook geen mobiele telefonie.

IJzingwekkend, en doorspekt met het absurdisme van het front (waar verveling net zo aan de orde is als vechten), zijn de reportages van Coen van Zwol, correspondent in Moskou. Met fotograaf Oleg Klimov wist hij zich in oktober 2001 te voegen bij de Noordelijke Alliantie, „Tadzjiekse, Oezbeekse en Hazara-mujahedeen die vroeger tegen de Russen, daarna tegen elkaar en nu tegen de Taliban vechten”, zoals hij droogjes noteerde. Hij maakte een beschieting mee en zag lijken voorbijgedragen worden als „druipende dierenkadavers”.

Veel voorbereiding was er niet bij, zegt Van Zwol, toen gepokt en gemazeld als oorlogsverslaggever in Joegoslavië. Wel kreeg hij 10.000 dollar mee en een satelliettelefoon, die hij gebruikte als wisselgeld: een van de ‘generaals’ mocht er dagelijks zijn (drie) echtgenotes mee bijpraten. Het geld was snel op, woekerprijzen heersten. Gevaarlijk was het ook. Kort na Van Zwols vertrek werden er journalisten gedood toen hun truck werd getroffen door een Taliban-granaat.

Contact met de redactie was er toen veelvuldig – die moet immers afwegen wat nog verantwoord is. Wie er gaat, wanneer en hoe blijft een altijd wankele balans tussen verantwoordelijkheid, broodnodige prudentie en journalistieke plicht of zelfs noodzaak.

De krant bleef hoe dan ook gaan. Oud-redacteur en correspondent India Wim Brummelman zag Afghanistan veranderen: hij verbleef er in de zomer van 2001 en ontmoette „heel andere Taliban” dan de ontwortelde criminelen en fanatici van later. Eind 2002, en een jaar later, deed hij verslag uit het ‘bevrijde’ Kaboel.

Met het begin van de Nederlandse missie in 2006 werden journalisten onderworpen aan Defensie-regels. Het leverde een hevig debat op over embedded journalistiek en de blikvernauwing die zo’n beperkte manier van werken met zich meebrengt. Schrijver Grunberg, die ook ingekwartierd was bij Duitsers en Amerikanen, spreekt van een ongeëvenaarde „angstige striktheid” bij de Nederlanders.

Ook de NRC-verslaggevers die ik raadpleegde zijn kritisch. Oud-correspondent Joeri Boom (zes keer naar Afghanistan, met Defensie en zonder) zegt: „Er moet altijd ook een verslaggever in hetzelfde gebied zijn die niet aan de leiband loopt van Defensie.”

Hanneke Chin-A-Fo (die Afghanistan zeven keer bezocht en rapporteerde uit Pakistan) is genuanceerder. Het kan soms niet anders én je kunt ruimte bevechten. Zij reisde „hybride”, deels embedded, deels niet en schreef het ook op als woordvoerders van Defensie volgens haar „de werkelijkheid afdekten”. Ook oud-redacteur Jaus Müller, die als 22-jarige Defensieverslaggever meeging – en op patrouille onder vuur kwam te liggen – bevocht zijn armslag. Hij schreef daarna veel en indringend over Nederlandse veteranen.

Radicaal afwijzend is Bette Dam, die rond 2012 voor NRC als freelancer verslag deed – en zich nu ongezouten uitspreekt als media-criticus: westerse media demoniseerden de Taliban maakten zich met hun kritiekloze opstelling schuldig aan oorlogspropaganda.

Propaganda? Het is zeker niet wat de NRC-verslaggevers herkennen, zoals de somberte al bewijst die Eijsvoogel in zijn eigen stukken aantrof. Van jingoïsme over een ‘exotische’ oorlog was nooit sprake.

Maar lessen zijn er wel. Goede voorbereiding en begeleiding – ook na afloop – blijven cruciaal. Maar ze zijn geen panacee; daarvoor blijft oorlog te onvoorspelbaar en bewezen expertise onontbeerlijk. Investeer dus in verslaggevers die dit werk willen doen, zegt Boom. Dat beaamt Steven Derix, als Defensie-redacteur drie keer naar Afghanistan. Hij bepleit het maken van „structurele risico-analyses” en het aanleggen van een eigen voorraad aan beschermingsmiddelen.

Maar de belangrijkste les: de focus op de Nederlandse militaire aanwezigheid in Uruzgan belemmerde het zicht op de Afghaanse realiteit. Als Nederland in een oorlog betrokken is, wordt het al snel „kijken door een rietje”, zegt oud-politiek redacteur Mark Kranenburg.

De realiteit op de grond was vooral te vinden in de reportages van Chin-A-Fo die, met fotograaf Bas Czerwinski, het kaartenhuis doorlichtte dat Nederland in Uruzgan aan het oprichten was. Zij steunde het doel om Afghanen een beter leven te gunnen, zegt zij, maar ze maakte zich geen illusies: „Als je dit meent, moet je je voor een generatie committeren. Nu hoor je wel: we hebben de Afghanen tenminste laten zien dat het ook anders kan. Wat een cynische conclusie.”

De Russische generaal heeft gelijk gekregen – ook van de krant.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.