Opinie

Ik blijf op het terras koppig Nederlands praten

Thijs Niemantsverdriet

Onlangs klonken er twee woorden die ik een tijdje niet meer had gehoord: ‘English please’. Ze kwamen uit de mond van een serveerster op een Amsterdams terras, met een air van volstrekte vanzelfsprekendheid. De zon en het fraaie uitzicht over het IJ konden niet verhinderen dat er meteen irritatie bij me opborrelde.

Al jaren is het gebruikelijk dat je in horeca en winkels in Amsterdam – en ik vermoed ook in Rotterdam, Utrecht en Den Haag – geholpen wordt door mensen die geen woord Nederlands spreken. In de lockdown ging het verschijnsel eventjes ondergronds, maar nu is het weer helemaal terug van weggeweest. En het gaat verder dan horeca of kledingzaken: deze week had ik nog een woordvoerder van de Universiteit van Amsterdam aan de lijn die geen Nederlands sprak.

Je kunt daar je schouders over ophalen – en veel van mijn vrienden doen dat. We wonen nu eenmaal een internationaal georiënteerd land, in een wereldstad zelfs, de globalisering is niet te stuiten, wij Nederlanders zijn open minded en bovendien spreken we allemaal uitstekend Engels, toch?

Zelf denk ik daar anders over. Zo’n Engels sprekende serveerster mag dan behoren tot de categorie klein ongerief, er gaat wel degelijk een groot, hardnekkig probleem achter schuil: het volstrekte dédain dat Nederlanders hebben voor hun eigen taal.

Hier woonachtige buitenlanders kunnen dat beamen: zodra een Nederlander merkt dat je geen native speaker bent, schakelt hij over op Engels. Let’s just speak English. Een anderstalige ouder in de appgroep van het kinderpartijtje of bij de ouderavond? Hupsakee, voertaal Engels.

Je kunt het ontzettend open en kosmopolitisch van jezelf vinden, in werkelijkheid is het gemakzucht gepresenteerd als tolerantie. Je verhult ermee dat je geen zin hebt om iets langer te doen over een gesprek, of een handje te helpen met een woord of een uitdrukking – iets wat Engelstaligen zelf voortdurend moeten doen als er weer eens een Hollander komt aanzetten met zijn beperkte Engels.

Niet doen! Nergens voor nodig! Dat is het signaal dat we afgeven aan buitenlanders die onze taal willen leren.

Die houding gaat ook nog eens gepaard met een stevige dosis hypocrisie: met een Amerikaanse expat of een Duitse kantoorgenoot spreken we liever geen Nederlands, maar als een statushouder of een importbruid(egom) uit een niet-westers land onze taal niet of gebrekkig machtig is, geldt dat als een toonbeeld van slechte integratie.

Het gemak waarmee de serveerster mededeelt dat ze geen Nederlands spreekt, kan alleen maar blijven bestaan omdat vrijwel niemand zich erover verbaast. Ik doe dat wel – en blijf op het terras koppig Nederlands praten. En weet je wat? Dat gaat meestal verbazingwekkend goed.

Thijs Niemantsverdriet schrijft tijdens de zomer enkele columns op deze plek.