Reportage

Hoe een Valkenburgs hotel opkrabbelt na de overstroming, ‘de geur van dat water raak ik nooit meer kwijt’

Watersnood Limburg In de nacht dat het water kwam zaten bijna tachtig mensen vast in hotel Walram in Valkenburg.

Eigenaars Claudia Volders en Georges Laheij van hotel Walram aan de Geul.
Eigenaars Claudia Volders en Georges Laheij van hotel Walram aan de Geul. Foto Chris Keulen

Ze waren thuis. Ze zouden eters krijgen. Tegen zessen kregen hoteleigenaar Georges Laheij en zijn vrouw Claudia Volders een telefoontje van de gemeente Valkenburg. Het water van de Geul was nooit zo hoog gekomen en het zou verstandig zijn hun hotel Walram te beschermen. Georges (69): „Mij werd gezegd dat er een ramp kon gebeuren. Ik dacht dat het wel mee zou vallen. Ik heb al zo vaak hoge waterstanden meegemaakt.” Na enige aarzeling vertrokken ze met hun drie kinderen van hun huis in het dorp Houthem naar het hotel in Valkenburg, vier kilometer verderop, met achterlating van de eters. Claudia (49): „We zeiden: eet de lasagne op maar wij zijn weg.” Zoon Da-Yves (17): „Ik had vanaf die ochtend niets gegeten omdat ik mijn moeders lasagne het lekkerst vind wat er bestaat. Toen moesten we gaan. En ik had nog niets gegeten.”

Het romantische riviertje naast het hotel was wel vaker buiten z’n oevers getreden, dan liepen de kelders onder. Na de bouw van een verhoogde kade was Georges door de gemeente verzekerd dat het water nooit meer binnen zou stromen. Maar Valkenburg zou dit keer hard getroffen worden. Ongeveer tweeduizend bewoners zouden worden geëvacueerd en zevenhonderd woningen bleken zo zwaar beschadigd dat de bewoners er niet naar terug konden. De schade is geraamd op vierhonderd miljoen euro. Het herstel gaat lang duren; het Zuid-Limburgse mergel heeft maanden nodig om te drogen.

Water over de brug

Hotel Walram telt 114 kamers en er waren die woensdag 14 juli zestig gasten. Het hotel was sinds enkele weken open na een sluiting van een half jaar door de coronacrisis. In de loop van de avond werden zandzakken voor de ramen en deuren gelegd en schotten voor de deuren geplaatst. Gasten druppelden binnen. Microbiologisch laborant Corné van Seters (43) uit het Brabantse Made was een dag eerder met zijn vrouw ingecheckt voor een korte vakantie, had op zijn eerste dag een grot en een kolenmijn bezocht en keerde woensdagavond terug van familiebezoek. „Er stond water buiten. Een agent zei: zet je auto op het parkeerdek van de supermarkt aan de overkant. Dat was m’n geluk.”

Lang leek het goed te gaan. Maar aan het einde van de avond kwam er water binnen en rond middernacht stroomde het water over de brug en golfde het plein over. Georges Laheij: „Dat had ik nog nooit gezien.” Tegen tweeën stond het water binnen even hoog als buiten. „Toen ging het snel. Iedereen moest naar binnen. En we zaten we vast.” Operationeel manager Guy Rouschop (29): „In het begin dachten we dat we het zouden redden. Drie uur later sta je tot aan je middel in het water en blijkt dat alle maatregelen voor niets zijn geweest. Je kon je tegen dit geweld niet wapenen.”

Ook Corné van Seters zag het water naar binnen stromen. „De stroom viel uit. We zijn toen toch maar gewoon gaan slapen. Onze kamer was twee hoog, ik maakte me niet veel zorgen.”

Ze zullen ons zo meteen wel komen halen, dacht ik. Er kwam niemand

Claudia Volders mede-eigenaar hotel Walram

Rond tien uur kreeg zoon Da-Yves het te kwaad. Claudia: „Hij heeft toen hard moeten huilen.” Da-Yves: „Ik wist dat mijn vader bang was dat hij niks van de verzekering terug zou krijgen. Het water stond in de keuken en ik vroeg me af hoe hij dit zou verwerken. Ik zat er ineens doorheen. Ik was bang dat hij in een burn-out zou komen of zo, dat ik hem als het ware kwijt zou raken. Ik weet nog dat ik mezelf heb geholpen door te denken: nu kunnen we gaan verbouwen, het hotel een andere uitstraling te geven. Ik dacht: en dan kan ik het hotel misschien overnemen. Met die fantasie heb ik mezelf opgevrolijkt.”

Georges Laheij: „Hij voelt zich verantwoordelijk voor mij. Hij trekt de zaken te veel naar zich toe. Ik denk: jongen, lieve schat, je bent zeventien jaar, leef! Ik heb geprobeerd dat eruit te krijgen maar ik ben bang dat het in de geentjes zit. Een jaar geleden vertelde hij ineens dat hij naar de hotelschool wilde. Ik wilde dat aanvankelijk niet stimuleren. Later heb ik ingezien dat ik hem daarin vrij moest laten.”

Het moet ongeveer half twee zijn geweest toen het water niet alleen de kelders onder het hotel tot het plafond had gevuld, maar ook op de benedenverdieping tot aan de knie reikte. De gasten in laag gelegen kamers werd verzocht te verhuizen. Da-Yves: „Er waren gasten die niet meewerkten. Die vonden het vervelend dat ze door het water moesten lopen om naar een andere kamer te gaan.”

Bij de overstroming beschadigde borden worden uit de kelder gehaald. Foto Chris Keulen

Het was donker. Iedereen was moe. Claudia: „Toen zei Georges: we moeten het laten gaan. En zijn we in de bar gaan zitten. Hij draaide de tap open.” Ze lacht. Manager Guy: „Dat was het moment van berusting. Zin in een biertje had ik eigenlijk niet. Hij smaakte wel.” Zoon Da-Yves: „Ik ben aan de bar gaan eten van de schaal lasagne die mijn moeder had meegenomen. Iedereen was best vrolijk. Het had geen zin verdrietig te gaan doen.” Claudia: „We hadden kaarsjes neergezet om nog iets te zien. Het was een rampenfilm. Er gebeurde van alles. Een van de receptionisten leunde achterover en toen stonden ineens haar haren in brand. Water en vuur tegelijk.” Guy: „Na het drinken hebben we een kamer uitgezocht. Het eerste wat ik heb gedaan is mezelf onder een koude douche zetten. Mijn hele lijf plakte van de rotzooi waar ik doorheen had gelopen: vet, olie, verf en benzine. Daarna ben ik op bed gaan liggen. Slapen was er eigenlijk niet bij.” Claudia: „Ik kon niet slapen. Ik heb me afgevraagd of het hotel zou instorten maar Georges zei dat het veilig was. Ik ben op de trap gaan zitten. De voordeur stond open en ik zag het water voorbij stromen. Het was bijna apocalyptisch; een donkere nacht met klotsend water en geluiden van een drijvende kruiwagen botsend tegen een drijvende kast. Ik voelde geen angst maar wel verlatenheid. Ik keek over het plein, met brandende lampen van auto’s onder water. Ze zullen ons zo meteen wel komen halen, dacht ik. Er kwam niemand. Ik dacht: ze zijn ons vergeten.”

Verpakte sneetjes ontbijtkoek

Zo brak de donderdagochtend aan en de vraag was hoe de bijna tachtig mensen hier ooit uit zouden komen. De gemeente, de brandweer en de reddingsbrigade gaven niet thuis omdat ze nodig waren bij de evacuatie van een kliniek. Ook stond het water op het Walramplein te hoog en was de stroming erg sterk. De partner van een van de receptionisten, een boer, had een tractor en een kar. Die wilde hen best komen ophalen, uit het zeven kilometer zuidelijker gelegen Ingber. Manager Guy: „Achteraf bleek dat het perfecte plan. Hij heeft ons kunnen bevrijden.” Hotelgast Corné van Seters: „Zo zie je maar weer hoe belangrijk de boeren voor Nederland zijn.” Zoon Da-Yves: „Ik was blij dat we weg konden maar ik was ook boos dat niemand van de gemeente ons was komen halen. Ik weet niet hoe lang we daar hadden moeten blijven als de boer niet zou zijn gekomen.”

De meeste hotelgasten werkten kalm mee aan de evacuatie, al waren er ook die klaagden dat ze geen ontbijt hadden gekregen. Claudia: „We konden nergens meer bij. We hadden alleen nog een mand met crackers en verpakte sneetjes ontbijtkoek. Die hebben we uitgedeeld.”

Gasten en medewerkers daalden met een huishoudtrap vanuit een raam op de eerste verdieping af naar het dak van de luifel boven de ingang en van daaruit met een ander trapje naar de boerenkar. Een enkele oudere gast was in paniek. Corné van Seters en zijn vrouw aarzelden niet om de kar te beklimmen: „Het was wel spannend. Je zag de auto’s drijven en je zag hoe sterk de stroming nog was. In die boerenkar hing een meisje lijkbleek in de armen van haar moeder. Die was misschien wel in paniek. We zijn naar de bowlingbaan gebracht. Daar heb ik een stopcontact voor m’n telefoon gezocht, we hebben een kopje koffie gedronken om bij te komen en de trein naar huis gepakt.”

Ordners met facturen. Foto Chris Keulen

De vriend van de receptioniste reed drie keer op en neer met de gasten. Bij de laatste evacués zaten ook Claudia en haar kinderen. Claudia: „Georges stond in het raam en wilde blijven. Toen ben ik in paniek geraakt.” Georges: „Achteraf heb ik me afgevraagd wat me bezielde. Wat had ik kunnen doen? Op een stoel zitten en een fles bier pakken? Waarschijnlijk was het verantwoordelijkheidsgevoel. Toen zei iemand van de reddingsbrigade dat ik moest gaan, dat iedereen uit dit gebied verwijderd moest worden. Claudia begon heel hard te huilen. Dat heeft het voor mij makkelijker gemaakt om toch te gaan.”

De tractor bracht ook hen naar de bowlingbaan, vijfhonderd meter verderop. Georges: „We leken wel vee dat wordt afgevoerd naar het slachthuis.” Claudia: „Het was bizar. Ik verkeerde in de veronderstelling dat wij als enigen waren achtergebleven. Maar we rijden met die kar de hoek om en het staat daar zwart van de mensen die ons filmen. Alsof we aapjes in de dierentuin waren. We kwamen uit een niemandsland en waren ineens een attractie geworden.” Zoon Da-Yves: „Er stond een konvooi leger, politiebusjes en brandweer. Terwijl wij onszelf hadden moeten evacueren. Dat heeft me nog het meest kwaad gemaakt.”

‘Verdomme, waar waren jullie?’

Het water zakte tot ieders opluchting bijna even snel als het was gestegen. Vrijdagochtend al waren de meeste straten weer droog. Wel bleven de mensen van hotel Walram zitten met de vraag waarom niemand behalve de boer kennelijk de moed had gehad hen te redden. Claudia: „Pas drie dagen later kwamen hier mensen. Eerst de brandweer en even later ook de burgemeester en de wethouders. Ik heb gescholden en gehuild. Ik riep: verdomme waar waren jullie? Iedereen schrok van hoe ik tekeer ging. De burgemeester reageerde heel goed. Als een echte burgervader. We hebben in elkaars armen gelegen en gehuild. Ik dacht: ik snap dat je er niet kon zijn, ik vergeef je.”

Lees ook Waaks voor de plunderende ‘ratten’ in Valkenburg

Hotelgast Corné van Seters kon een dag na de vloed zijn auto weer ophalen. Hij kreeg nog geld terug van het hotel, voor de twee nachten die hij kort voor de rampnacht had bijgeboekt. „Dat hebben ze netjes en snel terugbetaald.”

Inwoners van Valkenburg zijn dankbaar voor alle solidariteit en hulp. Wel zijn ze bang dat de aandacht verslapt, en dat Nederland overgaat tot de orde van de dag. Velen denken met afgrijzen terug aan die bange nacht. Claudia: „De geur van dat water raak ik nooit meer kwijt. Als ik een regenbui aan zie komen, schrik ik.”

Georges: „Ik ben tijdens de crisis heel rustig gebleven. Ik heb daarover nog een aanvaring met mijn vrouw gehad. Ze zei: ik begrijp er geen donder van. Jij kunt soms zo mieren over kleine dingetjes met de gemeente of zo. En dan komt de grootste ramp uit je leven en dan loop je grapjes te maken alsof er niets aan de hand is. Ach, misschien is dat gemier van mij over kleine dingetjes een vorm van aandacht vragen. Dat moet ik haar nog eens zeggen. Ik word in crisissituaties rustig. Ik accepteer het en denk: ik bouw dit weer op, ik laat me niet klein krijgen. Misschien dat ik zo rustig ben gebleven omdat ik vanaf het begin heb gedacht: dit is zo’n grote ramp dat zelfs als de verzekering niets betaalt, we geholpen zullen worden. We gaan door.

Maanden, misschien jaren zullen ze in Valkenburg bezig zijn met de wederopbouw. Hotel Walram kreeg donderdag te horen dat de kans dat de verzekering uitbetaalt zo goed als nul is. Claudia: „Ik was de laatste dagen moedeloos. Ik had het gevoel dat we hier heel moeilijk weer uit kunnen komen. En toen ineens moest ik denken aan een boek dat ik heb gekregen, De fundamenten van Ramsey Nasr, over dat de fundamenten van onze samenleving aan het rammelen zijn en dat we terug moeten naar de basis. Ik dacht: ja, we moeten nadenken over dingen waar we normaal gesproken niet over nadenken. Deze overstroming is een wond die ons is toegebracht door het klimaatprobleem, maar ook een kans om iets te doen aan onze fundamenten. En ik dacht: ik moet letterlijk naar de fundamenten van dit hotel. Nu ben ik de kelders aan het schoonmaken. Ik wil ze ontsmetten. Ik heb er een rioolput ontdekt. Ik wil alle smerigheid in die put gooien. Als dat is gebeurd, kunnen we gaan bouwen.”