Robbert Welagen

Foto Lars van den Brink

Interview

‘Voor de duur van het boek wil ik iemand anders zijn’

Robbert Welagen Ook zijn negende roman is een vernuftig literair spel waarin de personages verlangen naar een ander leven. „Ik heb niet eerder vanuit een vrouw geschreven.”

‘Er kan nogal wat misgaan, tijdens een interview. Dat je niet op hetzelfde spoor zit. Dat er niet echt een prettig gesprek ontstaat”, zegt Robbert Welagen, als we plaatsgenomen hebben aan de tafel middenin zijn huis aan een bosrand bij Zeist. „Het is wel voorgekomen dat ik geen goede antwoorden wist te geven op vragen, omdat ik nog niet over het boek had nagedacht op de manier die de journalist suggereerde. En sommige van mijn boeken nodigden ertoe uit om autobio te gaan graven – ik verwijt dat de journalist niet, maar het was wel soms lastig, want wilde ik zélf wel zo diep gaan graven in zo’n gesprek?”


Raam, sleutel, de negende roman van Robbert Welagen (1981), dit voorjaar verschenen en hooglijk geprezen, begon voor de schrijver met vervelende interviewervaringen.
Daarover schreef hij een kort verhaal, ‘De man achter het boek’, vorig jaar gepubliceerd in Hollands Maandblad. Daarin neemt de geïnterviewde na wat stroeve non-antwoorden zijn toevlucht tot een voorbereid zinnetje: ‘Het is niet aan mij om te vertellen wat het boek wil zeggen. Dat is aan de lezer.’ Waarop de interviewer zegt: ‘Wilt u echt met zo’n dijk van een cliché in de krant?’ Na afloop is de schrijver gedesillusioneerd: ‘Wat had ik gezegd? Dat was de pest met interviews geven: je kon ze ter plekke niet even teruglezen.’

Welagen begon daarna aan nog een verhaal. Nu moest het een góéd gesprek worden.

Een schrijfster wordt thuis geïnterviewd voor de tv – en het gaat lekker. Soepel. Ze is zelfverzekerd, gevat. En het is opwindend ook, als interviewster Hanna haar hand even, ‘twee seconden’, laat rusten op de knie van de geïnterviewde Karlijn en zo een ‘tinteling’ teweegbrengt. Na afloop zet Karlijn, verhit, het raam open. Als ze de interviewploeg uitlaat, waait de voordeur in het slot, terwijl de sleutel nog binnen ligt. Ze belt haar vriend, die naar huis fietst om haar binnen te laten, maar onderweg wordt hij geschept door een busje, dood.

Zo begint Raam, sleutel. Welagen maakte van de schrijver een schrijfster, de journalist werd een journaliste. „Zo kwam het verder van mij af te staan en voelde ik de vrijheid om te spelen. Dus die verliefdheid kwam erbij, en dat ongeluk van Arne, en ik wilde weten: hoe gaat dat door? Hoe word je de volgende ochtend wakker? Ben je nog dezelfde persoon? Alles lag open. Dat was ook interessant voor mij als schrijver, want ik heb nooit een partner verloren en ben nooit verliefd geworden op iemand van hetzelfde geslacht. Ik wist niet hoe dat was. Rouwen en verliefd zijn, hoe zou dat samengaan?”

Dus om de vraag maar uit de weg te hebben: dit verhaal gaat niet over je eigen ervaringen?

„Nee. Ik heb geluisterd naar mijn uitgever, die eens zei dat het goed zou zijn, na een paar boeken met autobiografische elementen, om iets te schrijven wat verder van me afstond.”

Dat hoor je een uitgever nog zelden zeggen, zou ik denken?

„Haha, ja! Het is vaker: schrijf nu eens je éígen verhaal op, dan kun je mooie interviews geven. Mijn uitgever zei: ‘Géén boek over een man in een bos.’ Dus er zitten hoogstens details in… Zo’n miezerig elektrisch kookplaatje als Karlijn heeft, dat heb ik daar ook in de keuken. Maar geen wezenlijke zaken. Ik begon ook zonder vaststaand plan te schrijven, zonder uitgedacht verhaal. Intuïtiever dan bij eerdere boeken. Dat beviel heel goed, dat ga ik vaker doen.”

Dat is moeilijk aan interviews geven: ik ben nu meteen geneigd om mee te gaan met jouw idee

De roman past wél perfect in het oeuvre van Welagen. Een kernachtig verhaal, in uitgeklede taal. Personages die verlangen naar een ander leven en op een spannend keerpunt belanden. Nadruk op de psychologische ontwikkeling van de personages. Vernuftige terugkerende motieven, een vertelling die een slim geconstrueerd literair spel blijkt te zijn.

„Verdorie, ja, nu je het zegt. Maar voor mij voelde het toch echt als iets nieuws. Ik schreef het veel improviserender. En ik heb niet eerder vanuit een vrouw geschreven – dat voelde toch uitdagend. Komt dat wel geloofwaardig over? Ik moest toch ontsnappen aan mijn beperkte mannenblik.”

En, hoe deed je dat?

“Tja… Misschien een saai antwoord, maar het kwam gewoon neer op: me inleven. Een optelsom van ervaring, empathie en verbeelding. En in de praktijk ging het stap voor stap. Dus ik bedacht: hoe word je na zo’n dag wakker? Wáár word je wakker? Ik vond het waarschijnlijker dat je dan niet alleen in je eigen bed slaapt, dus oké, dan zijn er misschien ouders bij betrokken. Uit wat voor gezin komt Karlijn dan? Geen moeilijk gezin, ik wilde niet te veel erbij halen, het verhaal zuiver houden, een soort Japanse eenvoud. Dus ze is wel redelijk op zichzelf, eenzaam misschien, ze rouwt ook op haar eigen manier, waardoor ze zich niet gemakkelijk laat helpen. Ze vertelt niemand over Hanna.”

Lees ook: Angst voor het burgerlijke leven

Daarmee had je een geweldig motief om haar te laten rouwen op haar eigen manier: ze zit met die dubbele gevoelens, rouw én verliefdheid.

„Precies, dat kwam voort uit die beginsituatie. Daarin lag al alles besloten. Ik heb het gevoel gehad dat ik de personages vanaf dat moment ruimte gaf om zich zelf te bewegen. Ik verdween, alsof ik een camera aanzette en ze ben blijven volgen. Uit die gevoelens voor Hanna móést wel volgen dat Karlijn eenzaam zou rouwen. Ze kreeg een enorm schuldgevoel, ook omdat ze zichzelf vertelt dat haar vriend is overleden door haar toedoen. Als zij niet die deur had laten dichtwaaien, dat raam open had gezet, was hij nooit aangereden.”

Is dat hoe jij zou reageren, of staat dat juist ver van je?

„Dat zou ik exact zo doen. Ik zou het allemaal met elkaar in verband brengen, zo zou ik dat ervaren. Dus ja, zo kom je toch weer bij mij uit… Karlijn heeft de behoefte om er een kloppend verhaal van te maken, om samenhang te ontdekken, oorzaken en gevolgen. Hoe kán het, dat mijn vriend op zijn dertigste ineens overlijdt? Op een gekke, destructieve manier geeft ze zo zin aan de gebeurtenissen. Blijkbaar liever dát dan dat de feiten los van elkaar staan, dat je overgeleverd bent aan de chaos.”

Dat klinkt ook als het mechanisme waarmee een fictieschrijver zorgt voor eenheid in het verhaal.

„Ja, een kloppende eenheid, dat is wat ik heb gezocht met al die motieven, en het is wat Karlijn ook doet. Maar niet alleen schrijvers doen dat, iedereen toch, in zekere mate?”

Jij blijft als schrijver natuurlijk degene die uitdenkt welke keuzes de personages maken.

„Ja, ik heb natuurlijk al die keuzes gemaakt. Maar ik dacht niet: ‘Ze moeten die kant op, anders komt mijn standpunt niet uit’, want ik hád geen standpunt.”

Er zit wel een bekende fascinatie van je in de roman: de mogelijkheid om een ander leven te leiden.

„Ja, dat doe ik graag, dagdromen, nadenken over vragen die beginnen met ‘stel’ – stel, ik was niet naar de kunstacademie gegaan… Die wat-als-fantasie heb ik uitgeleefd in Het verdwijnen van Robbert en In goede handen, maar hij zit hier natuurlijk ook in. Als schrijver doe ik hetzelfde: elk boek is een tweede leven voor een aantal maanden. Ik denk dat dat mijn drijfveer is om te schrijven: ergens anders te zijn, de illusie te hebben dat ik iemand anders ben, voor de duur van het boek.”

Is het interessant om te vragen waarom je dat graag wilt?

„Misschien is het genoeg om te weten dát ik daarover graag fantaseer? Anders kom ik met een stomme uitdrukking als dat schrijven is alsof ik op reis ga – en als ik klaar ben, verdwijnt dat. Het was zo’n avontúúr! En dan ben je weer hier. Heel kaal.”

Misschien gaat ‘Raam, sleutel’ nog het meest over schuldgevoel. Wilde je iets uitzoeken rond dat thema?

„Niet bewust, maar ik heb er mijn hoofd over zitten breken. Met m’n vriendin door het bos gewandeld en weer die vraag gesteld: waarom heb ik, een man van veertig, een boek over schuldgevoel geschreven? Wat is de bron? We kwamen er niet uit. Maar is het belangrijk dat een kunstenaar zijn motieven kent? Dat vind ik dus niet. Misschien is het beter om ze niet te kennen – stel je hebt volledige klaarheid gevonden, wat moet je dan nog? Een schrijver, ik weet niet meer wie, zei eens: ‘Ik ga niet naar een psycholoog, want dadelijk lost hij mijn problemen op’.”

Ik dacht ook: Karlijn is in diepe rouw, maar was ze wel gelukkig? Was haar relatie met Arne wel zo goed? Ze vóélt Hanna’s hand op haar knie misschien vooral omdat ze ervoor openstaat.

„Hm, je bedoelt: dan zit er iets niet goed…”

Ik kreeg ook aanwijzingen daarvoor: de flauwe grapjes die hij maakte, de ingeslapenheid van hun relatie. ‘Behoefte aan nieuwe dingen had hij niet’, schrijft ze.

„Ja, maar mist ze dan noodzakelijk iets? Ik denk dat het puur de aantrekkingskracht is van die glimp die ze opvangt van een ander leven: wat als ik met háár meega? Die gedachte is prikkelend, maar geen afwijzing van Arne. Ik dacht oprecht dat het goed zat tussen hen, maar daar ga ik nu aan twijfelen…”

Weet je dat niet?

„Ze houdt zielsveel van hem, zo ervaart ze dat toch. Maar de liefde houdt iets ongrijpbaars – ik houd van ongrijpbare onderwerpen, denk ik. Dat is ook moeilijk aan interviews geven, ik ben nu meteen geneigd om mee te gaan met jouw idee. Omdat ik denk: dat is nieuw, interessant, dat is een andere lezing van het boek, kom maar op! Dat verruimt het boek voor mij. Ik ben niet de God van het verhaal, niet alwetend. Ik vind ook niet dat je als schrijver alle hoeken van het universum dat je hebt gecreëerd hoeft te kennen om het goed neer te kunnen zetten.”

Maar je creëert misschien wel bewust de suggestie waarmee een lezer verschillende kanten op kan? Er zitten nogal wat dubbelzinnigheden in het boek.

„Waardoor je aan het eind kunt denken: wat voor boek heb ik nou gelezen? Ja, zeker, daar houd ik van. Ik houd van dromerig en dubbelzinnig. Mijn smaak is altijd geweest: suggestie. Alles zit in de suggestie, suggestie is alles, verlangen is alles. Je wilt iets bereiken, maar je bereikt het niet. In het bereiken zit ook niet zo’n mooi verhaal. Het verlángen, dat levert een mooi verhaal op.”