Opinie

Rellen voorkomen via buurtnetwerken - dat blijkt óók te kunnen

Criminaliteit

Commentaar

Het is ook wel eens fijn om over een ernstig thema iets te lezen dat zó positief is, zó optimistisch én zo voor de hand ligt, dat de gedachte ‘morgen meteen landelijk invoeren’ onmogelijk te bedwingen is. Dat gold met afstand voor het nieuws dat rellen met straatjeugd, zoals bij de invoering van de tijdelijke avondklok, te voorkomen zijn. Namelijk als ouders, bewoners en vormingswerkers zich daar gezamenlijk in georganiseerd verband voor inzetten. Dat bleek uit uren observatie van bewakingsbeelden door Marly van Bruchem, socioloog bij het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en tientallen interviews in vier probleemwijken in Amsterdam.

Dit is het recept. Meer ‘goedwillenden’ op straat brengen dan kwaadwillenden, saamhorigheid, onderling contact, betrokkenheid bij de buurt, tijdig waarschuwen, hesjes voor surveillerende bewoners, jongerenwerkers als coach/regisseur/liaison en expliciete afzijdigheid van de politie. De hoofdstad kan trots zijn op deze ‘buurtnetwerken’, die bij spanning in gele hesjes de cruciale kalmerende factor vormen.

Deze burgerparticipatie lijkt heel wat authenthieker dan de supporters die tijdens de avondklokrellen in Den Bosch, Alkmaar en Maastricht het lokale gezag aanboden hen ‘bij te staan’. Dat leken eerder pseudo-milities die vooral de eigen positie in de stad wilden versterken.

De tweede conclusie die voor de hand ligt luidt: sociaal-wetenschappelijk onderzoek heeft zin. In het politieke discours over criminaliteit lijkt verwijzen naar wetenschap een taboe geworden. Met premier Rutte voorop, die crimineel gedrag of ordeverstoringen „iets voor de politie” noemt. Waarbij hij juist niet wil zoeken naar „diepe sociologische betekenissen of oorzaken”. Anders gezegd – de lat er over volstaat. Kennis wordt ervaren als goedpraten, of, erger nog, ‘begrip’ hebben. Dat is behalve retorisch zelfbedrog ook domheid. Iets begrijpen is niet er ook begrip voor hebben.

Intussen weten de professionals in de handhaving bij uitstek dat repressief of hardhandig optreden beperkingen heeft. En dat criminaliteit niet alleen een kwestie is van handhaven, vervolgen, en ‘klaar’. Maar juist ook van preventie. Daarbij inbegrepen sociale maatregelen, zoals het inrichten van buurtnetwerken. Het strafrecht lost helemaal geen maatschappelijke problemen op, zei voorzitter Gerrit van der Burg van het College van Procureurs-Generaal nog onlangs. Het onderdrukt ze, tracht te beheersen, vergeldt en bestraft, maar repareert niks en herstelt maar zelden.

Ook landelijk korpschef Henk van Essen zei na de moord op verslaggever Peter R. de Vries in NRC dat repressie en vervolging belangrijk zijn „maar niet de oplossing”. Er moet wat hem betreft „een breed maatschappelijk antwoord komen dat is gericht op preventie en het vergroten van de weerbaarheid van de samenleving. Daarvoor heb je behalve Justitie ook Onderwijs, Volksgezondheid, Sociale Zaken en Wonen nodig. Daarvoor heb je lokale overheden nodig.” Dat is dus precies wat in Amsterdam gebeurde. De jeugd ‘perspectief bieden’, is volgens hem óók deel van het beschermen van de rechtsorde.

Criminaliteit, het is een waarheid als een koe, is een gecompliceerd sociaal-maatschappelijk probleem met vele en gelaagde oorzaken, waarover bestuurders zich breed moeten durven informeren. En dat om een uitgebreid assortiment maatregelen vraagt, genomen door bestuurders die erover willen nadenken. Dat is niet te veel gevraagd.