Recensie

Recensie Boeken

Deze twee boeken bieden wél context in het huidige slavernijdebat

Slavernijgeschiedenis Twee boeken bieden context in het huidige slavernijdebat door het stellen van een aantal basale vragen.

Fabriek bij Mariënburg, voormalige suikerrietplantage in Commewijne, Suriname
Fabriek bij Mariënburg, voormalige suikerrietplantage in Commewijne, Suriname Foto Marica van der Meer/Getty Images

Het is een beetje gevaarlijk om te schrijven over de geschiedenis van slavernij. Je kunt dat bijna niet doen zonder politiek te bedrijven, of in ieder geval: zonder de verdenking op je te laden dat te doen.

Daarom moet deze recensie – heel ongebruikelijk – beginnen met een verantwoording. Wie over slavernij schrijft ontkomt er op dit moment niet aan een keuze te maken: schrijf ik over ‘slaven’, ‘slaafgemaakten’ of over ‘tot slaafgemaakten’?

Tegenstanders van het gebruik van ‘slaaf’ vinden dat dat woord een ‘categorie normaliseert die niet inherent is aan iemands identiteit’, schrijven de samenstellers van Woorden doen ertoe, ‘een incomplete gids voor woordkeuze in de culturele sector’ die is uitgegeven door onder meer het Tropenmuseum. ‘Bovendien erkent de term ‘slaaf’ iemands menselijkheid niet, maar reduceert diegene tot niets meer dan iemands eigendom.’

Ja, zeggen de voorstanders van het gebruik van ‘slaaf’, maar dat is precies de kern. ‘Door de term slaaf te vervangen door tot slaaf gemaakte, ontkent de hedendaagse gebruiker de gruwelijke essentie van het slavensysteem, namelijk de ontmenselijking van mensen’, schrijft historicus Henk den Heijer in zijn onlangs verschenen boek Nederlands slavernijverleden.

Tsja.

Het stijlboek van NRC geeft in deze kwestie helaas geen uitsluitsel en laat de keuze aan de auteur. Deze (witte) recensent denkt: als er mensen zijn die aanstoot nemen aan ‘slaaf’ waarom zou je dat woord dan gebruiken? We hebben het over hetzelfde. Daarom: ‘Slaafgemaakten’. Dat is iets minder omslachtig dan ‘tot slaaf gemaakten’. Bovendien: taal verandert. De maatschappij evolueert duidelijk in deze richting.

Die maatschappij is op het moment behoorlijk druk met het slavernijverleden. Dat de emoties daarbij soms hoog oplopen – niet alleen over de keuze van woorden – heeft iets droevigs. In de kern is iedereen het namelijk eens: slavernij was onmenselijk en moreel verwerpelijk.

Dat er bijna wekelijks publicaties over het onderwerp verschijnen is dan weer goed nieuws: jarenlang werd slavernij onderbelicht in de geschiedenisboeken. Naast het boek van Henk den Heijer verscheen onlangs nog een overzichtswerk: De geschiedenis van de Nederlandse slavernij in een notendop van P.C. Emmer.

En dan is er natuurlijk de veelbesproken tentoonstelling over slavernij in het Rijksmuseum.

Dit is geen recensie van die expositie, maar ik veroorloof me wel een tip: lees een van de genoemde boeken voorafgaand aan een bezoek. Het boek van Emmer is lekker beknopt (nog geen 140 pagina’s minus bronnen en index) dus het lezen ervan kost nauwelijks meer tijd dan de gang naar het museum.

Marten en Oopjen

Het slavernijverleden is verbonden met vragen over schuld, en de makers van de tentoonstelling laten dat merken ook. De houten voetboei waarmee een aantal mensen tegelijk kon worden gedwongen een onmogelijke positie in te nemen: daar blijf je wel even naar kijken. Net als naar de enorme foto van Surinaamse vrouwen (‘verschillende typen’) die op de Amsterdamse wereldexpo in 1883 tentoongesteld werden – ik kan het niet anders zeggen.

Lef kan de makers van de expositie ook niet worden ontzegd. Ergens halverwege hangen daar ineens de recent verworven pronkstukken van het museum, Rembrandts Marten en Oopjen. De rijkdom die zij uitstralen, leer je, was te danken aan slavernij. Hoezo trots?

Maar de expositie blinkt niet uit in het bieden van context, iets wat de boeken van Emmer en Den Heijer wél doen, door het stellen van basale vragen. Wat is slavernij? Hoe werd je tot slaaf gemaakt? Waarom kwamen slaafgemaakten niet in verzet (of deden ze dat wel?). Hoe belangrijk was slavernij voor Nederland? Hoe werd de slavernij afgeschaft? En, de meest omstreden vraag op dit moment: hoe werkt het slavernijverleden door in het heden? Beide boeken lezen als een ‘x vragen over’. Beide auteurs zijn overigens slaafzeggers.

Wie denkt dat de Amsterdamse grachtengordel gebouwd is met geld verdiend met slavenhandel en slavernij, vergist zich

Uiteraard zijn de auteurs zich bewust van de gevoeligheid van het thema. Nederlands slavernijverleden is ‘een ongemakkelijk boek’, schrijft Den Heijer al op de eerste pagina’s. ‘Politiek correct zal de geschiedenis niet worden’, schrijft Emmer. Beide boeken staan vol ongemakkelijke feiten – ongemakkelijk omdat ze gemakkelijk de indruk zouden kunnen wekken dat de auteurs het Europese, het Nederlandse slavernijverleden willen bagatelliseren.

Enkele van de feiten die Emmer noemt:

Slavernij is van alle tijden. ‘In sommige perioden en in sommige delen van de wereld stonden de mensen zelfs in de rij om slaaf te worden. Dat kwam omdat slavernij soms een instituut was dat je tegen de hongerdood kon beschermen en je leven kon verlengen.’

Van alle slaven in de wereld vormden die in de Europese koloniën maar een klein deel. ‘Toen de belangrijkste slavenhoudende kolonisator, Groot-Brittannië, in 1833 de slavernij in zijn koloniën verbood, kreeg slecht 4 procent van alle slaven in de wereld de vrijheid.’

Op het Afrikaanse continent waren het lange tijd de Afrikanen die de dienst uitmaakten in de slavenhandel, niet de Europeanen. Ze hadden daarbij ‘een effectieve bondgenoot: de pathogenen die malaria, gele koorts en darminfecties veroorzaakten. Die ziekteverwekkers zorgden ervoor dat de sterfte onder de Europeanen gedurende het eerste jaar van hun verblijf op de Afrikaanse westkust soms hoger was dan 50 procent!’ Sommige Afrikaanse kooplieden waren zo machtig dat ze er een eigen leger op nahielden. Wie het heeft over het ‘kidnappen’ of ‘deporteren’ van Afrikanen doet de geschiedenis volgens Emmer geweld aan. De Europeanen moesten heel erg hun best doen om bij Afrikaanse handelaren in het gevlij te komen.

Grachtengordel

Maken deze feiten de transatlantische slavenhandel en de slavernij in koloniën minder gruwelijk? Natuurlijk niet.

Feiten kunnen trouwens ook ongemakkelijk zijn juist door hun gruwelijkheid. Op schepen van de West-Indische Compagnie (WIC) hadden slaafgemaakten een kans van 15 tot 16 procent om tijdens de tocht over de Atlantische oceaan te overlijden, becijfert Henk den Heijer. Maar wie bijvoorbeeld beweert dat de Amsterdamse grachtengordel gebouwd is met geld dat is verdiend met slavenhandel en slavernij, die vergist zich gewoon in de feiten, schrijft hij ook. ‘De grachtengordel zoals wij die kennen, met als sluitstuk de vierde uitleg, was in 1665 voltooid. De Republiek bezat in dat jaar enkele kleine koloniën met een gering aantal slaven in West-Indië, en de WIC had in de periode daarvoor grote verliezen geleden op de slavenhandel in Brazilië.’

Lees ook: Slavernijtentoonstelling Rijksmuseum: veelzijdig, verhalend en indrukwekkend

In het huidige gepolariseerde klimaat zijn er ook mensen die graag benadrukken hoe groots het verleden van Nederland als zeevarende natie is. Maar hoe groot was het aandeel van Nederland eigenlijk in de transatlantische slavenhandel? En hebben de Europeanen daar veel of weinig aan verdiend? Den Heijer plaats opnieuw een disclaimer: ‘Dat lijkt een overbodige, ja zelfs absurde vraag, omdat het antwoord daarop slavernij niet meer of minder moreel laakbaar en verwerpelijk maakt.

In totaal zijn er in twee eeuwen ongeveer twaalf miljoen Afrikanen verscheept. Nederlandse handelaren namen daarvan 5 à 6 procent voor hun rekening. Onderzoekers van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) hebben recent berekend wat slavenhandel en slavernij bijdroegen aan het bbp van Nederland: ongeveer vijf procent in 1770. Daarbij moet worden aangetekend dat 1770 een topjaar was voor Nederlandse slavenhandelaren. Een korte periode van ‘bloei’ eindigde in 1780.

Naar aanleiding van het IISG-onderzoek kwam in de pers dat slavenhandel en slavernij ‘de kurk’ waren waarop de economie van de Republiek ‘dreef’, schrijft Den Heijer. ‘Sterk overdreven’, vindt hij. ‘Tot aan het begin van de achttiende eeuw was de slavenhandel economisch gezien een marginale activiteit.’

Over deze cijfers bestaat redelijke consensus. Die is ver te zoeken bij de vraag waarom de slavernij werd afgeschaft. Wat gaf de doorslag? Het verzet van de slaafgemaakten in de koloniën? Of de lobby van abolitionisten in Europese landen? Emmer en Den Heijer zetten zich in dit verband fel af tegen historicus Karwan Fatah-Black, net als zijzelf verbonden aan de Universiteit Leiden (van hem verschijnt binnenkort trouwens ook een boek). In een feestrede ter gelegenheid van ketikoti, de herdenking van de afschaffing van de slavernij, verwees Fatah-Black vorig jaar naar de opstand van slaafgemaakten op Haïti in 1791. Volgens Fatah-Black was dat de revolutie die ‘alle latere afschaffingen mogelijk maakte’.

Een mythe, schrijft Emmer. Opstanden hebben de afschaffing van de slavernij eerder vertraagd dan versneld, stelt Den Heijer. Toen de Haïtiaanse Revolutie uitbrak ‘besloten de patriotten in de Bataafse Republiek de slavenhandel en slavernij te handhaven, de Britten de afschaffing van de slavernij te vertragen en de Fransen de inmiddels in de koloniën afgeschafte slavernij opnieuw in te voeren. Na de Haïtiaanse Revolutie hebben Europese en Amerikaanse slavenhandelaren nog bijna vier miljoen Afrikanen naar de koloniën in Amerika verscheept.’

Zeker is in ieder geval: Nederland liep niet voorop bij het afschaffen van de slavernij. Maar nadat Frankrijk en Groot-Brittannië dat hadden gedaan, moest Nederland uiteindelijk wel. Slaafgemaakten in Suriname hoefden alleen maar een grensrivier over te steken om vrijheid te verwerven in Frans of Brits Guyana. Op Sint-Maarten – deels Frans – was het passeren van de grens nog gemakkelijker.

Lees ook: De geschiedenis van deze Surinaamse familie is niet zo bijzonder. Dat is precies wat die zo bijzonder maakt

Het prettige aan beide boeken is: de auteurs veronderstellen weinig voorkennis. En ze besteden ook aandacht aan de argumenten van tegenstanders zodat je als lezer enige ruimte hebt om zelf een mening te vormen. Wat betreft de discussie over afschaffing is het dan verleidelijk om te denken: natuurlijk waren het de abolitionisten die in Europese landen de doorslag gaven, maar zij opereerden niet in een historisch vacuüm. De loop van de geschiedenis wordt zelden bepaald door één factor.

Dat de emoties hoog oplopen als het slavernijverleden ter sprake komt, heeft vooral te maken met de vraag of dat verleden doorwerkt in het hedendaagse racisme. Voor activisten van #BlackLivesMatter en veel nazaten van slaafgemaakten is dat misschien zonneklaar, voor Emmer en Den Heijer niet.

Rechte lijn

Den Heijer erkent dat er in de VS een rechte lijn loopt van slavernij toen naar racisme nu. Die gaat via de talloze ‘Jim Crow’-wetten die decennialang tot rassenscheiding leidden, waarna er in de jaren zestig van de vorige eeuw nog een Civil Right Movement nodig was. In Nederland is die lijn minder recht: hier waren er na de afschaffing van de slavernij geen voormalige slaafgemaakten. Dus hoezo racisme? Pas na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 kwam een grote migratiestroom op gang – ook dat is een feit. Al kun je daar tegenin brengen dat je geen slaafgemaakten, of nazaten daarvan, nodig hebt om racistische ideeën te laten voortbestaan in een samenleving.

‘Zijn discriminatie en racisme werkelijk zo omvangrijk of is er vooral sprake van een door activisten en media opgeklopt probleem?’ vraagt Den Heijer op de laatste pagina’s van zijn boek, dat tot dat punt uitblinkt door nuance en feitelijkheid. Een bladzijde eerder heeft hij nog geschreven dat eerste generaties nieuwkomers te maken kregen met achterstelling in werk, inkomen en huisvesting. Daarom is het even schrikken als hij ineens toch even kort door de bocht gaat en opmerkt: ‘Zelf meen ik dat het probleem sterk overtrokken is en mensen onnodig in slachtoffer- en daderrollen worden gedrukt (…).’ Het probleem, dat is racisme. Den Heijer ontkent dus niet dat daar sprake van is. Maar valt dat wel mee? Voor een auteur die terecht hecht aan feiten, was meer feitelijke onderbouwing hier op zijn plaats geweest.