Opinie

Een nooddoop in de jungle

Michel Krielaars

Het liefst reis ik in geschrifte naar verre oorden. Zo las ik onlangs Black Lamb and Grey Falcon, het betoverende verslag van een reis, die de Britse schrijfster en journaliste Rebecca West in 1937 over de Balkan maakte. Natuurlijk was het leven toen woester, avontuurlijker en gewelddadiger, waren de wegen beroerder en lonkten de grote hotels in Zagreb, Belgrado en Sarajevo vooral naar de Europese elite. Maar de avontuurlijke zucht van iemand als West naar het vreemde en zuivere was er niet minder om dan nu.

De Balkan voldoet deels aan het ‘Zuidelijk gevoel’ dat Gerrit Jan Zwier aanstipt in zijn Reis naar het spiegelpaleis. Een ode aan het reisboek. Niet dat hij het over dat gebied heeft, want zijn Zuiden is vooral Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en de Zuidpool.

Het leuke aan Zwier is dat hij in een notendop alle grote reisschrijvers van de afgelopen eeuwen behandelt. Het regent daarbij bekende namen zoals Alexander von Humboldt, Richard Burton en Robert Louis Stevenson. Van die laatste heb ik ooit zijn tocht door de Cevennen nagelopen, maar nu Zwier me over zijn reisbrieven heeft verteld, wil ik veel liever kennismaken met de ‘kannibalen, zwaarlijvige aristocraten en zeeschuimers’ die hij in de Stille Zuidzee tegenkwam.

Zwiers schilderachtigste personage is dr. Paul Julien, die halverwege de vorige eeuw beroemd werd met boeken over de volkeren van West- en Centraal-Afrika. Deze in 2001 op 99-jarige leeftijd overleden chemicus en ontdekkingsreiziger, die een stervende op zijn junglepad nog op de valreep een nooddoop gaf, is iemand van on-Nederlandse allure.

Een van zijn boeken droeg Julien op aan zijn ‘simpele negerdragers’ met de ontroerende woorden: ‘En in mij leefde steeds deze wens niet een vreemdeling te zijn aan jullie vuren, maar een van jullie.’

In Australië heeft Zwier je dan al laten kennismaken met de Pruisische ontdekkingsreiziger Ludwich Leichhardt, die in 1848 tijdens een expeditie van Brisbane naar Perth in het binnenland verdween, samen met de kudde vee die hij met zich meevoerde. Het is heel wat dramatischer dan het lot van Ian Hibell, die in de jaren zeventig op de fiets van de Noordkaap naar Kaap de Goede Hoop reisde om in 2008 tijdens een fietstochtje in Griekenland door een automobilist te worden doodgereden.

Het opmerkelijkst in Zwiers boek is het leven van de Portugese Jood Fernao Mendes Pinto, die in de 16de eeuw door Oost-Azië reisde. In zijn reisverslag, dat door de inquisitie en de censuur pas na zijn dood werd vrijgegeven, geeft hij de Portugese bestuurders, kooplieden en zeevaarders ervan langs. Het bevat meer waarheid dan menig later document dat de westerse omgang met de inwoners van gekoloniseerde gebieden weergeeft. Veel zou er de komende drie eeuwen niet veranderen, al verdwenen lokale tradities als het onthoofden, vierendelen, in stukken zagen of voor de olifanten gooien van tegenstanders van de lokale heersers geleidelijk aan wel.

Dat mensen vroeger anders handelden en dachten dan nu, besef je ook als Zwier de schrijver F. Springer aanhaalt die in zijn Bericht uit Hollandia (1968) vertelt over het advies dat hij als aanstaande diplomaat in Nieuw-Guinea van zijn meerdere kreeg: zorg dat je het ballroomdansen onder de knie krijgt, dan kun je bij voorkomende gelegenheden de vrouw van de resident ten dans vragen, en dat is goed voor je carrière. Je zou bijna wensen dat de wereld nog altijd zo simpel was.